Gerards oorlogsjaren, chronologie

Gerards oorlogsjaren

Inhoud

Gerards oorlogsjaren

Inleiding

Illegaliteit

  1. 1940
  2. 1941
  3. 1942
  4. 1943

Gevangenschap

25 augustus 1943 – arrestatie.

1943 – Weteringschans.

1944 – Amersfoort

Terdoodveroordeeld

maart 1944 – Utrecht

24 mei 1944 – het Obergericht

mei 1944 – Scheveningen, Oranjehotel

6 juni 1944 – Vught

juli 1944 – het vuurpeloton

Duitsland

begin augustus 1944 – via Kleef en Keulen naar Rheinbach

half augustus 1944 – in Rheinbach

15 september 1944 – een verschrikkelijke tocht

2e helft september 1944 – Kassel-Wehlheiden

2 december 1944 – Naar Butzbach

29 maart 1945 – de bevrijding

De terugkeer

Inleiding

Gerard Maas, de vader van Charlotte, Frank en mij (Ank), de grootvader van Willem, Bart, Rosa, Wanja en Midas, leefde van 17 augustus 1913 tot 6 april 1988. Vierenzeventig werd hij en met dat aantal jaren was hij best tevreden. Toen hij ging sterven, had hij daar vrede mee. Hij had al eens serieus rekening gehouden met zijn dood. Dat was in de oorlog. In augustus 1943 werd hij door de Duitsers garresteerd en in mei 1944 door een Duitse rechtbank te Utrecht ter dood veroordeeld. De reden was zijn lidmaatschap van de communistische partij en deelname aan het illegale verzet.

Aansluitend op het vonnis bracht Gerard twee maanden door in de dodencellen van Scheveningen en Vught. Op 25 juli 1944 kreeg hij gratie en werd de doodstraf omgezet in 10 jaar tuchthuis. Tot aan zijn bevrijding op 29 maart 1945 verbleef hij in Duitse tuchthuizen. De vijf jaren van de Tweede Wereldoorlog waren beslissend voor zijn verdere leven. Gerard schrijft twee keer zijn oorlogsherinneringen op: in 1947-48 in een dummyboek met als titel Mijn Lotgevalen in de Oorlogsjaren 1940-1945 en in 1969-70 het boek Terdoodveroordeeld dat is uitgegeven bij Pegasus, Amsterdam 1971.

Gerard kwam uit een Zaandamse arbeidersfamilie. Zijn vader Willem en drie oudere broers waren bootwerker in de Zaanse haven. Zijn moeder Mina heette Brouwer van haar meisjesnaam. Ze was geboren in een ark bij de Hembrug als dochter van een polderwerker. Willem Maas was vele jaren secretaris van de bootwerkersvereniging ‘Eensgezindheid’ en lid van de SDAP, de voorloper van de huidige PvdA. Hij hoorde tot een minderheid die sympathiseerde met de Russische revolutie van 1917. Maar op 25 april 1933 bedankte hij voor z’n partij zonder opgaaf van redenen. Daarna bleef hij partijloos. Hij was trots op Gerard en steunde hem door dik en dun. Omgekeerd was Gerard trots op zijn vader en zijn echt proletarische afkomst.

In 1930 werd Gerard werd lid van zowel het Zaanse filharmonieorkest als de arbeiderstoneelvereniging Kunst veredelt. Hij speelde viool, was acteur en schreef toneelstukken. Twee ervan hebben we, handgeschreven in een schrift, in ons bezit. We weten niet of ze ooit zijn opgevoerd. Gerard ging naar de bibliotheek om boeken te lenen, las de beroemde filosofen en discussieerde met vrienden en kennissen.

In de jaren ’30 volgde hij de politiek van nabij en werd zich bewust van het dreigende gevaar van het fascisme. Vooral het Rijksdagbrandproces van 1933 opende hem en velen met hem de ogen. Door zijn optreden daar werd de Bulgaarse communist Georgi Dimitrov een held voor veel linkse mensen.

Gerard had echter weinig op met de linkse partijen in Zaandam. De sociaal-democraten van de SDAP en de communisten van de CPH[1] verketterden elkaar. Gerard vond de SDAP een partij voor oude mannen en hun jeugdbeweging de AJC een dwaas utopisch clubje compleet met huppeldansjes en meifeesten. De CPN vond hij sectarisch, al was een van zijn beste vrienden, Gerrit Bakker, communist.

Na de Duitse inval in Nederland in 1940 ging Gerard gewoon door met muziek en toneel. Met het orkest speelde hij in mei 1940 de ouverture Finlandia van Sibelius[2]. Bijna een jaar later, eind maart 1941, speelde hij op toneel de rol van Tijl Uilenspiegel. Het stuk was een bewerking van de toneelregisseur Jan Lemaire en hemzelf. De opvoering van Tijl Uilenspiegel op dat tijdstip, kort na de Februaristaking, voelde als een verzetsdaad. ‘De mensen hadden het stuk door’, schrijft Gerard in Mijn Lotgevallen, ‘en toen Tijl hen opriep om een onverzoenlijke strijd tegen de tyrannie te voeren braken zij de zaal bijna af.’[3] Gerard wordt bij van Ravenswaay ontboden, de NSB-burgemeester die in Zaandam was aangesteld na de Februaristaking. ‘Ik wist hem om de tuin te leiden. Weinig vermoedde ik dat het spel van Tijl Uilenspiegel ook voor mij werkelijkheid zou worden.’[4] Hij wijst hier vooruit naar zijn rol in het verzet. Voor de oorlog droomde Gerard ervan kunstenaar te worden. Violist, toneelspeler of schrijver, het leek allemaal te kunnen. Ergens tussen 1940 en 1941 rekende hij af met deze mooie droom: ‘Kunstenaar werd ik niet, maar wel een flinke arbeider, die hoopte eens z’n bescheiden gaven in dienst van zijn klasse zou mogen stellen.’[5] Dit nu kon hij waarmaken in het verzet. In augustus 1940 werd hij lid van de C.P.N.

 

Illegaliteit

                        

1940

Er wordt gehoopt dat Nederland in een nieuwe oorlog neutraal zal blijven, net als in de Eerste Wereldoorlog (1914-1918). Maar op 10 mei 1940 trekken Duitse troepen ons land binnen. Er wordt viif dagen gevochten. Gerard had twee broers aan het front, Jan zat ‘ongetwijfeld achter de vuurlinie met de oude, kleine kanonnen’en Klaas, ‘bij de luchtafweer (…) mikte misschien op dit moment op een vijandelijk vliegtuig.’[6]. Willem maakte zich veel zorgen om zijn zoons in het leger. Hij leefde als altijd met alle vijf zijn zoons mee.

Als de oorlog begint, is Gerard ‘chef over de magazijnen’ van de Artillerie-Inrichtingen aan de Hemweg. Hij heeft ronduit een hekel aan zijn werk. ‘Ik haatte dit bedrijf zeer’, schrijft hij in Mijn Lotgevallen [7], maar, ‘toen het er opaan kwam om de handen uit de mouwen te steken, heb ik in de 5 oorlogsdagen gewerkt als een duivel.’ Gerard heeft de opdracht hooi te vorderen bij de boer, maar die schampert ‘Er is geen hooi in deze tijd’[8]. Het illustreert de chaos in Nederland bij de Duitse inval in mei 1940. Na het bombardement op Rotterdam op 14 mei volgt de capitulatie. De regering vlucht naar Londen en de Duitse bezetting van Nederland is een feit. Die begint rustig, maar allengs wordt de onderdrukking heftiger, met name tegen de Joden.

Gerard wil niet werkeloos toezien. Een vriend van hem in Westzaan voorspelt ‘dat het leven in Nederland een hel zou worden. Het beste was je er onopgemerkt doorheen te slaan.’ Maar dat is niet Gerards idee. Hij herinnert zich Dimitrov met een citaat van Goethe: ‘Wij moeten geen aambeeld maar hamer zijn’[9] en besluit ‘contact met de partijmensen in Zaandam te zoeken.’ In juli spreekt hij ‘de mij bekende communist Gerrit Bakker. (…) Met hem had ik meerdere malen communistische meetings bezocht en kennis gekregen aan boeken van Lenin, Stalin, enz.’[10] In augustus 1940 maakt Gerrit hem lid van de illegale CPN.

Zijn eerste illegale taak is geld inzamelen voor het Solidariteitsfonds. Met dit Solfonds worden de eerste onderduikers ondersteund. Het zijn bekende communisten die direct gevaar lopen te worden gearresteerd. Na een paar maanden al krijgt Gerard een nieuwe taak. Hij gaat de stencils typen voor de illegale krant de Waarheid. Het eerste nummer van de krant komt uit in november 1940.

Na 31-12-1940 heeft Gerard geen werk meer, hij is ontslagen bij de Artilerie-Inrichtingen.

1941

Begin 1941 verhuist Gerard met z’n typemachine naar een ander kosthuis. Hij vindt een kamer bij ‘de bejaarde weduwe de Haan, in de Doniastraat’[11]. Er zijn die winter volop acties van Amsterdamse arbeiders in de werkverschaffing en later ook op de scheepswerven.

Op dinsdag 25 febuari begint in Amsterdam de Februaristaking. Gerard in Zaandam hoort het ‘s ochtends van Wim Mans, een van de leiders van de illegale CPN in de Zaanstreek. Met deze kan hij niet heel goed opschieten. Hij vindt hem een opschepper, schrijft hij in Mijn Lotgevallen, maar nu voelt hij toch wel bewondering voor hem. Die avond helpt hij met het pamflet ‘Staakt, staakt, staakt’. De 26e, ‘s ochtends vroeg, proberen ze het werk stil gelegd te krijgen in de Zaandamse bedrijven. Gerard staat bij de Verkade-fabriek, en schrijft: Ik ‘sprak voor het eerst in m’n leven met de arbeiders, die voor de poort samendromden. Al dadelijk had ik de jonge mensen, vooral de meisjes en jongens die uit Amsterdam waren gekomen, op mijn hand’[12].

De gevolgen van de Februaristaking zijn groot, in Amsterdam maar ook in Zaandam. Helaas niet in zake de Jodenvervolging die nu pas echt begint. De Zaandamse burgemeester in ’t Veld wordt vervangen door de NSB’er van Ravenswaay. In de illegale CPN trekken Wim Mans en Henk Kraaier, mannen van het eerste uur, zich terug. Gerard wordt opgenomen in de nieuwe leiding, het kader zoals Gerard het noemt in Mijn Lotgevallen. Dat is in mei 1941. Gerard wordt de verbindingsman met de landelijke leiding. Aan die kant heeft hij contact met de instructeur Piet Vooren en in de Zaanse partij-afdeling met Joop Nak en Cor Geugjes. In het kader zitten verder Fred de Beer en Jan de Jong. ‘Ik kan mij nog herinneren, dat ik verbaasd was over het in die dagen onvolkomen en nietige partij-apparaatje’[13], merkt Gerard op. In deze kleine groep is het geen koek en ei, mede door het gestook van Mans, die ‘deed blijken, dat alles verkeerd liep, omdat hij er niet bij was’ aldus Gerard weer.

In het voorjaar heeft hij nieuw werk gevonden in Amsterdam. Hij wordt afdelingschef op het Rijksbureau voor Huiden en Leder ‘van de afd. ijzer en staal. (…) Ik had te zorgen dat er materiaal kwam voor het spijkeren van zolen’ enz., maar Gerard beschouwt het als z’n hoofdtaak om dit soort aanvragen ten behoeve van de Duitse oorlogsvoering weg te werken. Het kantoor is op de Keizersgracht 131-139 en van en naar zijn werk reist hij comfortabel met de salonboot tussen Zaandam Haven en Amsterdam de Ruijterkade. In Amsterdam woont ook zijn vriendin Betsy Wentzel met wie hij regelmatig afspreekt. Net als hij is ze politiek geïnteresseerd en ze heeft veel Joodse vrienden. Betsy komt onder de naam Elly alleen voor in Terdoodveroordeeld, in Mijn Lotgevallen noemt Gerard haar geen enkele keer. Kennelijk heeft hij er in 1947 nog wat moeite mee dat hun relatie verleden tijd is. Jaren later volgt hij haar uit de verte, getuige de handgeschreven Sleutel, die hij opstelt bij zijn sleutelroman[14] Terdoodveroordeeld: ‘Elly: Betsy Wentzel, was na de oorlog lid van de partij, trouwde met een functionaris bij de EVC (ik meen Bosman) en verliet na de strijd met de rechtsen in 1958 de partij.’ Deze woorden schrijft Gerard in 1970/71. Het taboe op Betsy is opgeheven en hij kan haar noemen, zij het onder de schuilnaam Elly.

Op 22 juni 1941 valt het Duitse leger de Sovjet-Unie binnen. Operatie Barbarossa is begonnen. Gerard schrijft in Terdoodveroordeeld: ‘Anton herinnerde zich die dag van de 22ste juni 1941 in elk opzicht. Het was een zeer warme junidag. Een zondag. Hij was er al vroeg op uitgetrokken (…), had de fiets gepakt, z’n zwemspullen en was naar het Noordzeekanaal gereden’[15] In Mijn Lotgevallen trekt Gerard ook naar het water. Hij schrijft: ‘Het was 21 juni en een smoorhete dag. Het was een zondag en ’s morgens in de vroegte dat ik met een kennis er met de zeilboot op uitgetrokken was’[16]. Gerard verschijft zich hier, het gaat om zondag 22 juni, in Terdoodveroordeeld staat het goed. In beide teksten begint Gerard een discussie, in Mijn Lotgevallen met ‘enige partijgenoten’, in Terdoodveroordeeld met Gerrit Bakker. Deze draagt in dit boek de schuilnaam Gerard wat veel zegt over hun vriendschap, maar heel verwarrend is voor de lezer. Ook in beide teksten wordt generaal Vorosjilov[17] aangehaald: iedere indringer die z’n varkenssnuit in de Russische moestuin steekt, zal eruit gejaagd worden. Alleen is in Terdoodveroordeeld de generaal vervangen door Stalin, maar dat is een correctie van Paul de Groot.

Koninginnedag vieren op 31 augustus 1941[18] in bezet Nederland is een daad van verzet. Gerard schrijft in Mijn Lotgevallen dat de wandelactie op die dag als eerste daad van het nieuwe kader een succes is. ‘Na de demonstratie op Koninginnedag gingen wij ons bezig houden met het vraagstuk van de sabotage.’[19] Dit blijkt een echt vraagstuk te zijn. Gerard spreekt erover met de instructeur. ‘Middelen om oorlogsmateriaal te vernietigen bezaten wij niet. Hoe wij eraan moesten komen, wij wisten het niet. Na het nemen van vele proefnemingen vonden wij er iets op met Parijsgroen met zuurstoffen en trotyl, welke laatste producten wij van de Hembrug verduisterden.’[20] De proefaanslag mislukt echter jammerlijk.

1942

Gerard wordt er zich deze winter bewust van dat hij een grote verantwoordelijkheid draagt. Het is niet eens zozeer de illegaliteit, ‘want ik wierp mij vol overgave op het illegale werk. Wat wel zwaar op mij drukte, was de politieke verantwoordelijkheid. Dat ik een tekort aan marxistische scholing had, bleek mij iedere dag meer.’ Henk Kraaier kritiseert het kader vanwege de sabotage. Hij noemt die terroristisch en zegt dat massa-actie gewenst is. ‘Het vraagstuk van de tactiek werd urgent.’[21] Gerard zoekt Henk Kraaier thuis op en treft er een van de Duitse emigranten aan. ‘Deze emigranten, het waren partijgenoten van ons, vormden een eigen gesloten geheel.’ De man bij Kraaier die avond ‘had zeer veel critiek op onze illegale acties. Tenslotte verweet hij ons, dat wij de partij sleepten in vruchteloze, terroristische avonturen. (…) het gesprek verliep nogal scherp. Toen ik ’s avonds thuiskwam overdacht ik de zaak nog eens grondig.’[22] Er moest ‘een klaar standpunt ingenomen. Ik vond deze in het dialiectisch-materialisme. (…) Het was de C.P. niet mogelijk om een staand leger tegen de onderdrukker in het geweer te roepen. Wat wel mogelijk was, was een formatie van kleine groepen, vrijheidsscharen, die de vijand afbreuk deden. Het standpunt van de Duitse emigranten was star en sectarisch en moest onverbiddelijk bestreden worden. Dit was mijn taak.’[23]

In die winter van 1941-42 gaat het kader scholingen organiseren voor nieuwe partijgenoten. ‘Over het algemeen wisten deze jonge communisten slechts een schimmetje van het marxisme. (…) Op dit terrein deed Henk Kraaier uitstekend werk. In de herfst en wintermaanden wist hij in Zaandam een jonge frisse groep arbeiders tot actieve illegale communisten op te leiden.Velen van hen spelen thans nog een actieve rol in het partijleven aan de Zaan’[24] Let op, Gerards ‘thans’ hier is een datum ergens na juli 1947!

Het volgende hoofdstukje in Mijn Lotgevallen heet ‘’Bijna gegrepen’. Het avontuur speelt zich af in januari 1942. Gerard brengt een instructiebrief bij Joop Nak, extra nodig omdat Joop eigenwijs is en veel op eigen initiatief doet. ‘Ik stond even met hem en zijn vrouw in de kamer te praten. Ik vertrok nogal spoedig. Ik trok de deur achter mij dicht. Het was roetdonker. Toen ik het poortje opende, klonk mij plotseling een stem in de oren, die mij toesnauwde, halt! Meteen werden er enige zaklantaarns op mij gericht. “Ik hang”, dacht ik op hetzelfde moment. Zonder bewust te zijn wat ik deed, schreeuwde ik terug, “doe dat licht uit klootzak”. Het licht floepte uit en ik rende door het groepje kerels. “Halt” hoorde ik roepen, maar ik rende als een bezetene weg.’[25]

Gerard ontsnapt. Het is zijn eerste echte angstmoment. Toch gaat hij die avond nog op stap om een aantal kameraden te waarschuwen. Eerst Kraaier en Mans en daarna de familie Geugjes, Cor woont thuis bij zijn ouders. Ook hier een angstig moment, want een auto rijdt door de straat en blijft een tijdje stilstaan voor het huis van Geugjes. Weer loos alarm, maar ‘later vernam ik dat de SD’ers bij Nak thuis de hele boel overhoop gehaald hadden, maar niets gevonden. Arrestaties vonden niet plaats.’[26] Toen nog niet…

Na dit angstig avontuur komen er veranderingen in het kader. Allereerst moet Joop Nak worden geïsoleerd. Gerard trekt een nieuwe partijgenoot aan, Gerrit Koeman. ‘Het was de bekende strenge winter van 1942. Er lag een enorm pak sneeuw. (…) Naast Gerrit Koeman vormden Fred de Beer en Cor Geugjes de illegale leiding van de C.P.N. in Zaanstreek en Waterland. Het district werd onderverdeeld in onder-districten met aan het hoofd een instructeur, die politiek verantwoordelijk was. (…) Voor mij kwam een periode van ongeveer een week of vier rust’[27]. Maar de rust bevalt Gerard helemaal niet en hij wordt weer actief. ‘Ik maakte weer deel uit van het kader, samen met Fred de Beer en Gerrit Koeman. Met hen zou ik lange tijd samenwerken, tot aan m’n arrestatie. Cor Geugjes kreeg een speciale taak, hij werd de instructeur van de nieuw gevormde sabotagegroep. Tot nog toe had deze groep niet veel gepresteerd. Maar onder leiding van Cor opende zij een offensief.’[28] Dat voorjaar zijn er diverse acties, waaronder een gelukte aanslag op een Duitse opslagplaats.

Het illegale werk wordt onder de nieuwe leiding naar alle kanten uitgebreid: Solfonds en oplage van de Waarheid, verbindingen met Waterland, scholingen en sabotage. ‘In de zomer van 1942 werd al onze activiteit gevraagd voor het komende tweede front.’[29] Het volgende hoofdstukje heet dan ‘Het tweede front, dat niet kwam’. De titel is veelzeggend. Gerard schrijft ‘Ofschoon wij in onze kaderberaadslagingen hartgrondig twijfelden aan de verwezenlijking van dit tweede front, gingen wij toch allengs mede door onze propaganda in dit tweede front zelf geloven.’[30] en verder ‘Deze tweede front affaire kostte ons zeer veel inspanning en ik kan mij nog herinneren hoe moe ik dikwijls in die dagen was.’[31] Op 23 augustus 1942 begint de slag om Stalingrad die eindigt op 2 februari 1943 met de vernietiging van het Duitse 6e leger. ‘De Sovjet-legers hielden 120 dagen stand en toen kwam het keerpunt, wat later bleek ook het keerpunt van de oorlog te zijn. Maar het tweede front kwam niet en dit vervulde ons dikwijls met woede.’[32]

In Mijn Lotgevallen staan twee hoofdstukjes die ‘Vosveld’ heten, I en II genummerd. De landelijke instructeur in deze periode heet Henk Schönhagen, Gerard kent hem als Henk. ‘Schönhals was zijn naam, zoals ik later vernam.’[33] ‘Hij was een prettige kerel’, maar zonder autoriteit. In het najaar van 1942 moest hij voor een tijdje uit ons district verdwijnen. Er kwam daardoor een andere instructeur.’[34]

Deze nieuwe instructeur is Piet Vosveld die zich Peter noemt, Peter Ter Heide. In Terdoodveroordeeld wordt hij Terheyden genoemd. Gerard heeft vanaf de eerste ontmoeting in oktober 1942 een slechte indruk van hem, hij is pedant en praat met twee tongen. Gerards wantrouwen neemt vervolgens alleen maar toe. Vosveld dringt namelijk voortdurend aan op ontmoetingen met andere kaderleden. Hij eist zelfs een bespreking met het hele kader. ‘Deze bespreking vond enige avonden later plaats in het kelderhuis van Sjef Swolfs.’[35] En er volgt er nog een bij Henk Kraaier op de werf in november. Gerard geeft Vosveld geen adressen en steeds brengt hij hem via omwegen door donker Zaandam naar de plaats van bestemming.

Begin december 1942 belandt Gerard in het ziekenhuis met een liesbreuk. Het is niet ernstig maar er komt wel een kleine complicatie bij. Daardoor moet hij tot begin januari in het ziekenhuis blijven. Het is een welkome periode van rust, die weken in het ziekenhuis. Zeventien dagen staat er in Terdoodveroordeeld, tweeënhalve week. Vanaf begin december volgens Mijn Lotgevallen, dat maakt eerder vier weken. Grappig verschil. Het is aannemlijk dat Mijn Lotgevallen uit 1947/48 dichter bij de werkelijkheid is dan Terdoodveroordeeld uit 1969/70. Nog een verschil tussen beide teksten is dat Gerard in Terdoodveroordeeld nu kennis maakt met Sjef Swolfs, die ook op de ziekenzaal ligt en in Mijn Lotgevallen niet. ‘Anton vond deze kwieke man bijzonder sympathiek, niet vermoedend onder welke andere omstandigheden hij hem een tijd later opnieuw zou ontmoeten.’[36] Die andere omstandigheden zijn de gevangenis aan de Weteringschans waar Gerard Sjef ontmoet in Mijn Lotgevallen. In beide boeken wordt verteld over een bezoek van Fred en Gerrit aan Gerard in het ziekenhuis om te overleggen over een dringende kwestie. Siffels, voor de oorlog gemeenteraadslid en dus een bekende Zaandamse communist die was ondergedoken, is naar huis teruggekeerd. Omdat hij zich steeds bij de politie moet melden, is hij een gevaar voor het gehele illegale apparaat van de afdeling Zaanstreek/Waterland.

1943

Bij thuiskomst in januari voelt Gerard zich moe. Hij vreest ‘nog lang durende oorlogsellende (…) Het Rode Leger rukte op en dit gaf ons illegale strijders een enorme steun om onze moeizame strijd tegen de Nazi-bezetter, de Nederlandse fascisten en de lauwheid van de Nederlandse burger voort te zetten. Zo begon 1943, het zou ook voor mij een veelbewogen jaar worden’[37]

De aanwezigheid van Siffels is inmiddels uitgegroeid tot een groot probleem. ‘Wij namen een besluit om op korte termijn een revolutionair gericht over deze Siffels uit te spreken.’ Dat vindt nog in januari plaats. Bij elkaar komen, behalve Gerard zelf, Henk Kraaier, Fred de Beer, Gerrit Koeman, Piet van Breemen, Cor Geugjes, Ber Hulsing en de instructeur Henk Scdhönhagen. Gerard is voor liquidatie maar de meesten willen nog even afwachten.

Inmiddels, Gerard schat in januari of februari[38], is er bericht gekomen van de landelijke leiding. De afdeling Zaanstreek/Waterland moet met spoed een zelfstandige redactie vormen. Deze dient tijdelijk zelfstandig voor de kopij van de Waarheid te zorgen. ‘In overleg met het uitgebreide kader werd de redactie toen samengesteld uit Ber Hulsing, Cor Geugjes en mijn persoontje. Met ons drieën hebben wij toen ca. een half jaar een weekkrant geschreven. Mij werd de taak opgedragen om het oorlogssoverzicht te schrijven, Cor schreef over binnenlandse aangelegenheden en Ber over verschillende onderwerpen.’[39].

Pas een half jaar later, omstreeks juli/augustus dus, komt er via de instructeur weer een hoofdartikel van de landelijke leiding. De kop ervan luidt ‘Na de oorlog’. ‘Ík las dit artikel en kon het in grote trekken daarmee niet eens zijn. V.n. heb ik onthouden de zin: “Na de oorlog wensen wij de toestand van voor mei 1940 weer terug, (…) omdat in die dagen de democratie aan het Ned. volk de mogelijkheid schonk zich te kunnen ontplooien”. (…) hoe kunnen communisten een democratie van voor mei 1940 terugwensen, toen deze democratie de communistische partij verbood?’ Gerard weet nog goed dat tussen 10 en 14 mei het Volksdagblad, de krant van de CPN, werd verboden door de Nederlandse regering. Communisten werden naast NSB’ers preventief gearresteerd, ook in de Zaanstreek.[40] In 1947/48 schrijft hij in Mijn Lotgevallen: ‘Eerst later evenwel kwam ik tot het inzicht, dat onze handelingen in het kader van de partij-discipline zeer te veroordelen waren, maar tot nu toe blijf ik bij m’n mening dat plaatsing van het eerste artikel een grove onjuistheid was geweest.’[41]

Begin maart 1943 treft Gerard in Amsterdam z’n eerste instructeur, Piet Vooren. Die vertelt hem dat Henk Schönhagen is gearresteerd. Nog maar enkele dagen daarvoor was Henk samen met Gerard met de boot naar Zaandam gereisd om met Gerrit Koeman te overleggen over de sabotage. Henk ‘had enige flesjes met Parijsgroen bij zich, hetwelk wij gebruikten om een lading dynamiet tot ontploffing te brengen.’[42] Piet Vooren en Gerard gaan de zaak na, ‘wat Vosveld van ons kon weten en wat de S.D. als Henk Schönhals zou doorslaan.’[43] Vosveld kent geen adressen in Zaandam en weet van Gerard alleen dat hij met de salonboot reist tussen Zaandam en Amsterdam. Schönhagen weet veel meer van de CPN-afdeling Zaanstreek/Waterland. Hij kent o.a. het adres van Gerrit Koeman en hem gaat Gerard dus als eerste waarschuwen. Een aantal mensen moet nu tijdelijk onderduiken, Henk Kraaier, Gerrit Koeman en ook Gerard zelf.

Wie is nu de grote verrader binnen de CPN geweest, Henk Schönhagen of Piet Vosveld? Rond mei/juni 1943 tasten Gerard en Piet Vooren in het duister. Ze hebben een tweede overleg in Amsterdam: ‘als in Zaandam niets meer zou gebeuren, waaruit wij moesten concluderen dat Schönhals niet doorgeslagen had, dan zou ik weer naar kantoor gaan en niet meer met de Zaandammerboot, maar met de trein reizen. Ik zou in contact komen met een nieuwe verbindingsman.’[44]

In 1947/48, wanneer Gerard Mijn Lotgevallen schrijft, weet hij nog steeds niet zeker wie hem verraden heeft, Vosveld of Schönhals.[45] Het proces tegen Piet Vosveld vindt in 1952 plaats. Dan pas komt zijn rol in het verraad vast te staan. Zodat, wanneer in 1969 Gerard Terdoodveroordeeld schrijft, Jan Postma in de bunker van Vught aan Gerard kan vragen[46] ‘Je bent hier door Terheyden he?’ deze kortweg antwoordt ‘Ja’[47].

Gerard heeft het altijd als een groot geluk beschouwd dat hij vanaf de eerste ontmoeting Piet Vosveld/Peter Ter Heide heeft gewantrouwd. Daardoor wist deze weinig van de CPN-afdeling Zaanstreek/Waterland. Hij kon niet zoveel schade aanrichten als ten aanzien van de landelijke leiding. Dieters en Jansen werden op aangeven van Vosveld gearresteerd en zijn spoedig daarna vermoord. Paul de Groot wist te ontkomen en hield zich schuil tot aan de bevrijding.

Wat een spanningen in het voorjaar en de zomer van 1943. Gerard schrijft: ‘De opwinding van jaren illegale strijd, en mede door de permanente ondervoeding (ik had geen tijd om aan het organiseren van voedsel te denken) hadden veel van mijn krachten gevergd. Ik was in deze dagen in augustus meestal uitgeput (…) maar er was geen tijd om rust te nemen.’[48] Een voorbeeld van hoe uitgeput hij zich voelde, staat in zowel Mijn Lotgevallen als Terdoodveroordeeld. In het eerste boek neemt Gerard een dag vrij en gaat vissen aan het Noordhollandse kanaal. ‘Ik zat aan de waterkant en viel in slaap. Een slaap van uitputting. In de middag werd ik wakker. Ik pakte m’n fiets en reed door Purmerland naar huis. Toen ik vlakbij Oostzaan was, overviel mij een volkomen inzinking. M’n benen weigerden me hun diensten. Ik liet mij in de berm neerploffen en sliep. Het was reeds geheel donker, omstreeks 10 uur, dat ik wakker werd. De kou van een dichte dauw had mij wakker gemaakt.’[49] In Terdoodveroordeeld een soortgelijke scene, nu niet in de ik- maar in de hij-vorm: ‘Het illegale werk vrat al z’n energie op. (…) Op een warme zomerdag belde hij ’s morgens het kantoor om te laten weten dat hij die dag niet zou verschijnen. Hij moest een aantal nieuwe contacten na in West-Friesland. Zoals gebruikelijk deed hij dat op de fiets. Het was een heerlijke fietstocht door de polders, waar hier en daar nog koeien graasden. Hij genoot van het uitstapje en kwam in de achtermiddag op de terugweg bij Purmerend aan. (…) Wat soezerig fietste hij terug, via Purmerend over een verlaten weg naar het dorp Oostzaan. Halverwege legde hij de fiets in het gras en ging ernaast liggen, om meteen in een lange diepe slaap te vallen. De kou maakte hem wakker. Het was al laat in de avond.. Een dikke dauw was over het land gestreken.’[50]

In die toestand van grote vermoeidheid is het verleidelijk om weer de boot te nemen. ‘Wat Anton hinderde was, dat hij nu ’s morgens en ’s avonds de lange weg naar en van het station moest afleggen. Met de boot had hij altijd op een tussensteiger kunnen afstappen, hetgeen hem zeker een uur lopen per dag bespaarde.’[51] Het was al ‘in de maand augustus dat Anton besloot weer met de salonboot te gaan reizen. Dat kwam hem niet alleen veel makkelijker uit, maar hij spaarde er tevens kostbare tijd door uit. Hij nam een maandabonnement. Het op en neer reizen met deze boot gaf hem een zekere rust, vooral nu hij zich in toenemende mate rusteloos en soms dodelijk vermoeid voelde.’[52]

Gevangenschap

25 augustus 1943 – arrestatie

Sinds een paar weken reist Gerard weer met de boot. Op woensdag 25 augustus verlaat hij ’s middags om 5 uur het kantoor. Overvallen door een regenbui schuilt hij in een cafetaria[53]. Hij neemt er een koffie en later trakteert hij zichzelf op een ijsje. Het is advocaatijs dat erg schuimt. Tot zover Mijn Lotgevallen, in Terdoodveroordeeld neemt hij op de Nieuwendijk een glas bier. ‘Toen de bui wat minder werd, vervolgde ik m’n weg. In gedachten liep ik het viaduct onder het Centraal Station door. Ik dacht over de redactiebespreking, die wij deze avond belegd hadden. Nog 5 minuten en dan zou de boot vertrekken. Haastig stapte ik op de steiger af en net voor ik deze betrad, klonk mij in de oren: “Halt, politie.”(…) Er ging een schok door mij heen en de gedachte: Het is afgelopen met mij.’[54] Ruim twintig jaar later in Terdoodveroordeeld schrijft hij het bevel in het Duits, ‘Halt, Polizei!’ maar denkt weer ‘Ik ben erbij (…). Het is afgelopen met me.’[55]

1943 – Weteringschans

Met een auto wordt Gerard naar de gevangenis gebracht aan het Kleine-Gartmanplantsoen 14, die de Weteringschans wordt genoemd. Daar wordt hij ‘uitgeladen, een stoep op, een paar deuren open, en ik bevond mij in een vertrek, waar enige geüniformeerde kerels opsprongen en een kerel in burger zich achter een schrijftafel zette. M’n tas werd nagekeken. Ze haalden er een boek uit, de gedenkschriften van Troelstra.’[56] De vier kerels in uniform zijn Duitsers en Nederlanders. Een van hen vraagt Gerard of hij socialist is. Die knikt en zeg: ‘Ik interesseer me ervoor. Ook voor het nationaal-socialisme? vroeg hij honend. Waarom niet, antwoordde ik. En plotseling ontstond bij mij vaag een plan, welke houding ik zou aannemen. Natuurlijk wisten deze kerels dat ik werkte in de illegale C.P.N. Waarom zou ik dit niet toegeven, in zoverre, dat ik uit nieuwsgierigheid contact met deze partij had, maar dat ik in werkelijkheid niets met het communisme te maken had.’[57] De politiemannen vinden ook nog brieven van kantoor in Gerards tas en stoppen die terug. Het Waarheid-artikel waaraan hij bezig is, zien ze over het hoofd en de tas wordt dichtgeknipt. ‘Een herademing voor me. M’n zelfvertrouwen keerde terug.’[58]

Gerard wordt per auto naar de Euterpesraat 99 gebracht, het gevreesde gebouw van de S.D.[59] Ondanks de martelingen ontkent hij communist te zijn en bepaalde mensen te kennen. Beurs geslagen op z’n gezicht en achterste gaat hij terug naar de Weteringschans. Daar brengt hij vastgeklonken aan zijn brits de eerste nacht door. ‘Een afschuwelijke nacht’ kopt hij in Mijn Lotgevallen: ‘De gedachten die mij in die nacht bezighielden staan diep in mij herinnering gegrift. Ofschoon ik veel pijn had in mijn rug en het liggen daarop onuitstaanbaar was, besefte ik dat ik moest denken over de situatie waarin ik terecht was gekomen. (…) Ik worstelde heftig tegen een doffe slaap. (…) Ik moest denken, inzicht krijgen.’ In zijn hoofd vormt zich wat hij zijn verhaal noemt. ‘Ik ging de uitlatingen van de S.D.’ers nog eens na. Ik kwam tot de conclusie dat zij niet alles wisten. Dus zou Henk Schönhals, die wel alles wist, niet hebben doorgeslagen. (…) Maar als Peter mij verraden had, dan moest er een uitweg voor mij zijn. (…) Bij een volgende mishandeling moest ik wat te vertellen hebben.’ Het begin van Gerards verhaal is geboren. ‘Ik moet zolang aan dit verhaal denken dat ik zelf geloof dat het waar is.’[60] Hij schaaft er dagen en nachten aan, tussen de verhoren in de Euterpestraat door. Als ze hem komen halen, trillen z’n benen van angst, maar eenmaal daar, vindt hij houvast in zijn verhaal. Hij is geen communist, integendeel hij interesseert zich niet voor politiek. Hij leeft voor z’n werk en in z’n vrije tijd doet hij aan toneel en muziek.

‘Die eerste periode na mijn arrestatie zijn diep in mijn geheugen gegrift. Ik herinner mij bijna ieder detail nog.’[61] Op de derde dag, bij terugkeer in de Weteringschans ziet Gerard in z’n cel ‘brood van enige dagen en een blik koude stampot. Ik verzwolg alles en had nog honger. Lust je nog? vroeg de bewaker. Ik at nog een blik leeg. Hij boeide mij weer vast. Ik voelde mij doodmoe, maar merkwaardig gelukkig. (…) Nu volhouden, dacht ik.’[62] ‘De eerste drie weken van dit gevangenisleven waren het ergste. De hele dag lag ik te prakkizeren. Natuurlijk het meest over mijn zaak. Nu eens dacht ik dat het er hopeloos uitzag en een andere keer dat ik tussen de mazen van het net zou doorglippen.’[63] ‘Wij kregen ook boeken in de Weteringschans. Gedurende de 6 maanden die ik daar precies heb doorgebracht, van 25 augustus 1943 tot 25 februari 1944, heb ik alle boeken die in de gevangenis circuleerden gelezen.’[64] Over het algemeen was het niet veel, maar ‘ook enkele behoorlijke boeken heb ik in handen gehad, zoals enkele werken van Bosboom Toussaint, de lijvige werken van Jacob van Lennep, van Selma Lagerlöf en van Björsen.’[65]

Gerards celnummer in deze maanden is A I 12. Het is de vleugel voor de zware gevallen, gevangenen die in eenzaamheid en geboeid aan hun brits zijn opgesloten. Deze periode duurt tot in oktober. Soms wordt hij weer gehaald voor een verhoor in de Euterpestraat en daar gemarteld. Dit gebeurt echter steeds minder vaak. In de Weteringschans geniet Gerard van de rustdagen. ‘Er waren dagen, dat ik uren op m’n brits lag te zingen. Ik vermaakte mij om hele symphoniën te zingen. Op deze manier verstreek de tijd goed en friste ik tevens m’n muzikale geheugen op. Ton[66] vroeg mij in de luchtcel een keer of ik musicus van beroep was. Men heeft mij dit later nog dikwijls gevraagd. De muziek was een belangrijke afwisseling in het gevangenisleven.’[67]

‘Acht weken heb ik op m’n rug, m’n polsen aan de stijlen van de brits gelegen. Eigenlijk heb ik nooit gehele dagen in dezelfde stemming doorgebracht. Deze wisselden met het uur.’[68] Ze gaan van diep terneergeslagen naar ontzaglijk sterk. ‘Ik hield vele redevoeringen tot mezelf (…), verzon alle mogelijke leuzen.’ Ook luistert Gerard ’s avonds na zeven uur naar de oorlogsberichten die door de nieuwkomers in de gevangenis worden rondverteld.

Na acht weken gaan zijn boeien af. Hij wrijft zijn rauwe polsen en ‘toen drong het tot me door dat ik mij voortaan in deze cel kon bewegen. Een intens geluksgevoel doorstroomde mij’.[69] De volgende dag krijgt Gerard een celgenoot die hij herkent als Gerrit Huig, een drukker uit Zaandam. ‘Ik was verheugd weer eens met een mens op enigszins normale wijze te kunnen spreken’. Toch is hij blij dat Huig geen interesse in zijn verhaal heeft, ‘ik was vastbesloten niemand in vertrouwen te nemen.’[70] De volgende dag komt er nog een gevangene bij, ene Cees Groenendijk uit Amsterdam. ‘Ongeveer 14 dagen hebben wij met z’n drieën doorgebracht. Voor mij was het of ik in de hemel leefde. We bedachten verschillende spelletjes om de tijd te doden en spraken urenlang over uitbraakmogelijkheden.’[71]

In november wordt een grote groep Zaanse communisten opgepakt op aangifte van een dochter van Siffels. Onder hen zijn Gerrit Bakker en Sjef Swolfs, Piet van Breemen en Ab Huisman. Er volgen nieuwe verhoren, ook voor Gerard. De Duitse SD’er Wehner leest voor wat Gerard zo al heeft gedaan in de illegale C.P.N. Iemand heeft dus doorgeslagen, denkt Gerard, maar wie? Ze brengen hem terug naar z’n cel en dreigen ermee hem in de loop van de avond weer te komen halen. ‘Ik weet niet hoe lang ik in een bepaalde toestand heb gelegen. M’n benen had ik opgetrokken. Ze waren volkomen stijf van de zenuwen. Ook m’n vingers waren saamgetrokken, ik kon ze niet bewegen en dat gevoel had ik ook met m’n kaken. Ik was verstijfd door de zenuwen.’[72] Maar die nacht komen ze Gerard niet halen.

Hij verhuist naar een andere cel op een andere verdieping. Ook hiervan weet hij het nummer nog: A III 9. ‘Het leek wel of ik in een salon terecht kwam. De zon scheen in de cel en het was er heerlijk warm.’[73] Is de S.D. Gerard nu vergeten? ‘Het was de 11e december. (…) Zoals gewoonlijk maakte ik m’n morgenwandeling door de cel. Zeven stappen naar het raam, zeven stappen naar de deur. Gewoonlijk hield ik dit ongeveer een uur vol. De klok had 9 uur geslagen’. Gerard hoort zijn naam noemen. Even later gaat z’n celdeur open. Beneden wordt hij geboeid aan een andere gevangene. Ze gaan ‘naar buiten waar een auto klaarstond. Tegenover ons prijkte de reclame van het City-theater: Snip en Snap in “Tok, tok, alweer een ei”.’ Die revue gaat dus nog steeds, denkt Gerard. In zijn naoorlogse leven kan hij ze niet luchten of zien, deze Snip en Snap[74].

In de kamer die hij al kent, ondervraagt de Duitser Wehner hem opnieuw. De eerste vraag is: ‘Ken je Siffels? Razendsnel werkten mijn gedachten.’ Gerard ontkent. Er komt nog een Duitser binnen, Rühl, die hem in z’n gezicht slaat. Je wilde hem uit de weg ruimen, zegt Wehner en laat hem papieren zien. Daarop staan de namen van de Zaankanters, Piet van Breemen, Sjef Swolfs, Ab Huisman, Gerrit Bakker en nog veel meer. ‘Ik moet enorm getranspireerd hebben, hij maakte m’n boeien los, ik veegde het zweet van m’n gezicht en kreeg een cigaret, die ik behaaglijk rookte, onderwijl dacht ik na.’[75] Wat zouden de Duitsers gaan doen? Opnieuw mishandelen waarschijnlijk. ‘Ik voelde me echter op dat moment ontzaglijk sterk. Ik zou vechten voor m’n leven. Ik besloot voorzichtig te polsen wat ze nu wisten en voerde een nieuw comediespel op.’[76] Er komt nog een derde politieman binnen, Maarten Kuiper een Hollander. Om het vuile werk op te knappen, denkt Gerard, hij herkent ook hem van de vorige keren.

Gerard ontkent bij Kraaier thuis over Siffels te hebben gesproken, ‘ik begon langzaam in het Duits, wikkend en wegend of ik iets nieuwd vertelde, de oude geschiedenis weer af te draaien’. Hij geeft toe bij een bespreking over een gevaarlijk man te zijn geweest, maar ‘ik walgde van dit ondergronds gedoe’[77]. Al in het begin is hij weggegaan. Ze confronteren Gerard niet met Piet van Breemen en brengen hem naar de kleine cel in de kelder van de Euterpestraat. Ga maar eens nadenken, zeggen ze, we komen je straks wel weer halen. ‘Het was gek, maar ik voelde mij heerlijk opgelucht, zelfs vreugdevol. Eigenlijk konden ze me nog niet veel maken, dacht ik. Laat komen wat komen moet, ik houd aan dit verhaal vast, tot het bittere einde’.[78]

Er volgt geen confrontatie of nieuw verhoor. Gerard wordt teruggebracht naar de Weteringschans en zijn cel lijkt hem ‘de gezelligste kamer die ik ooit in m’n leven had gezien.(…) Ik sliep die nacht rustig en het leek mij toe, dat ik een veldslag gewonnen had.’[79] Het proces-verbaal wordt de volgende dag door Wehner opgemaakt, in Gerards zin. Het is 12 december 1943.

‘Van m’n andere Zaanse partijgenoten merkte ik aanvankelijk niets. Op een morgen echter, toen wij van de ijzeren trappen naar de luchtplaats gingen, hoorde ik gedempt ‘Ploeger’[80] roepen. (…) na een paar dagen zag ik door het rooster van een cel een gestalte. Ploeger hou je goed, hoorde ik. Ik kon niets zeggen, want verschillende bewakers letten op ons. Op een morgen deed ik een poging en vroeg: wie ben jij? Sjef, was het antwoord. Sjef Swolfs. (…) Iedere morgen riep hij mijn naam, d.w.z. Ploeger en bedekt groette ik hem met gebalde vuist.’[81]

Oudejaarsavond 1943 komt. Gerard schrijft: ‘Ik had mij in het gevangenisleven volkomen ingeburgerd. Een harde periode was achter de rug, de verhoren, die naar het mij toescheen m’n hele leven als een gruwelijke herinnering zouden nablijven. Maar hoe lang zou dat leven nog zijn? Ik was 30 jaar.’[82]

1944 – Amersfoort

1944 begint met alweer enige nieuwe celgenoten, onder hen Scheps, een sociaal-democratisch politicus. Gerard discussieert graag met hem, zo schrijft hij in zijn Lotgevallen.

Op 25 februari 1944 vindt het transport plaats naar Amersfoort. Het valt me op dat alle datums in Gerards lotgevallen in de oorlog op de 25e dag van de maand vallen: de arrestatie is op 25 augustus 1943 en de gratie 25 juli 1944. De Februaristaking is van 25 februari 1941. Op 25 april 1933 bedankt vader Willem voor de SDAP. En het transport naar kamp Amersfoort vindt dus plaats op 25 februari 1944. Ongelooflijk, als het allemaal klopt.

De beschrijving van het leven in kamp Amersfoort beslaat bijna 30 bladzijden. In Terdoodveroordeeld staat naar verhouding evenveel, in beide verhalen gaat het om ongeveer 10% van de tekst[83]. Maar in Terdoodveroordeeld is het verhaal gehalveerd na de kritiek van Paul de Groot die luidde: de beschrijving van kamp Amersfoort kan weg. Het is elders beschreven.

25 februari 1944 is een vrijdag. Er gaan die dag 260 gevangenen op transport. Zes van hen zijn twee aan twee geboeid. Het zijn Gerard, Sjef Swolfs, Piet van Breemen, Ab Huisman, allen Zaanse communisten, en de Amsterdammers Henk van den Burg, politieagent en partijgenoot, en Berend Kuiper, een drogist die nergens mee te maken blijkt te hebben. ‘Ín de Weteringschans hadden wij onze bullen teruggekregen. Verschillenden hadden cigaretten en wij rookten er lustig op los. Plotseling dacht ik eraan of in m’n tas nog papieren zouden zitten, ik keek erin en jawel hoor, daar ontdekte ik het vlugschrift, dat ik ’s middags nog op kantoor geschreven had en een artikel voor de illegale Waarheid. De S.D. had die ongezien in m’n tas laten zitten. Met m’n geboeide en vrije hand begon ik de papieren aan snippers te verscheuren en maakte er een bal van. De Duitsers hadden er geen erg in. Zij waren aan het discussiëren met de anderen. Ik vroeg onverwachts aan één der Duitsers of ie even de deur wilde opendoen. Hij deed het, de trein reed, en ik wierp de bal papier naar buiten.’[84]

Hierna kan Gerard de anderen vragen naar hun lotgevallen en ‘langzamerhand werd de zaak me duidelijk. De familie Siffels was ons noodlottig geworden. Er was nl. ruzie tussen man en vrouw ontstaan. Een der dochters had partij voor moeder getrokken en om vader te treffen was zij naar de S.D. gegaan. Deze had haar flink aan de tand gevoeld en toen had zij de hele zaak verraden. Ab Huisman, Piet van Breemen, Gerrit Bakker en nog vele anderen.[85]’ Gerard merkt dat z’n slimme vriend Gerrit Bakker niet bij de geboeiden is. Hij heeft zich ‘als een kleine jongen aangesteld en de S.D.’ers waren daar ingetippeld’[86]

Ze komen aan in het kamp. ‘In het kledingmagazijn kregen wij allen een afgedragen militair uniform van het Nederlandse leger, die voor ons ook reeds door vele gevangenen gedragen waren. Ik kreeg een jasje, een zwarte broek, die na een week geen zitvlak meer had, een zijde-achtig hempje met dito korte onderbroek en een paar voetlappen. Met de schoenen bofte ik, want ik ontving een paar gloednieuwe Bata-rubberschoenen. That was all’.[87]

Gerard wordt met Sjef ondergebracht in barak 10. Na een twee uur durend avondappel kunnen de gevangenen naar de barakken. Daar ‘kregen wij een brood met 4 man. Het was in ieder geval wat en wij verslonden dit hapje. Wij vielen op onze brits neer en ik weet mij nog te herinneren, dat ik meteen ben ingeslapen.’[88]

‘Het was de volgende morgen nog aardedonker toen wij elkaar wakker maakten. Het was 4 uur. Wij moesten opstaan. Tussen de schaars verlichte barakken strompelden wij naar de wasbarakken. Het had ’s nachts flink gesneeuwd en een felle koude oostenwind striemde onze magere lichamen. In het washok was het een enorm gedrang. Ik voelde mij zeer veerkrachtig en sprak mijzelf steeds in dat ik moest harden. Ik gutste het koude water over m’n kale kop en over m’n ontbloot bovenlijf.’[89]

Terug in de barak krijgen ze thee, maar geen eten. Dan volgt het appel. De contractbrekers, d.w.z. arbeiders die in Duitsland hebben gewerkt en na hun verlof niet zijn teruggekeerd, mogen buiten het kamp werken in een fabriek. Mogen, want ze krijgen daar een extra hap eten. Ook in het kamp wordt gewerkt. Bij de N.S.F. wordt ook wat extra eten uitgedeeld, maar bij de speelgoedfabriek Amaf niet. Eten is het grote probleem van kamp Amersfoort. Degenen zonder baantje, ‘gingen marcheren. Een gevangene had de leiding. (…) Ik vond deze mars in het begin nog niet zo gek. Je moest toch wat bewegen, anders verstijfde je. We begonnen om zo ongeveer een uur of zes.’[90] Om 12 uur is er een half uur pauze. Dan krijgen ze eten in de barak. ‘onze soep, driekwart liter water, met een paar aardappelen en kool. O, die honger, die je daarna voelde. Even vleiden we ons op onze matras uit. En toen begon het weer. Van half een tot zes marcheren. Wij waren in een hel terecht gekomen. (…) De winter van 1943-44 was een zachte winter. Maar of de duvel ermee speelde, de dagen dat wij in Amersfoort kwamen werd het een koude winter. En wij voelden dat dubbel zwaar. Die eerste dagen in het kamp waren gruwelijk.’ [91] De Zaanse communisten vormen een hechte groep en helpen elkaar waar ze kunnen. Gerard krijgt dysenterie en verzwakt ernstig, maar Sjef haalt hem erdoorheen.

‘Ik heb mij in die dagen dikwijls verwonderd over het enorme aanpassingsvermogen van de mens. Na een week waren wij zo’n beetje geacclimatiseerd in Amersfoort. (…) Sjef Swolfs was onverbrekelijk aan mij verbonden. Hij was een prachtvent. Strict eerlijk, een sterk optimisme en veel doorzettingsvermogen. (…) Sjef verzorgde mij broederlijk en niets was hem teveel.’

‘Toen wij in het kamp kwamen mochten wij 20 gulden kampgeld op zak hebben. Hiervan kon men bij tijd en wijle z.g. koeken kopen, soms bouillonblokjes en ook door de zwarthandelaren georganiseerde tabak. Dit laatste kostte 7 gulden de 30 gram. De koeken waren niet te eten en men werd er ook ziek van. Wij kochten voor ons geld tabak en draaiden hiervan cigaretten. Wij rookten deze zelf niet, ofschoon ze een kostbare afleiding betekenden. Maar wij verhandelden de cigaretten voor eten.’ [92]

Dan krijgt de groep contact met partijgenoten in de keuken. Gerard noemt hun namen, Otto, Frits en Frans[93]. ‘Na vele discussies vertrouwden wij elkaar en begonnen zij met eten voor ons te organiseren. Vanaf die tijd hadden wij geen honger meer. (…) wij zaten toen 3 weken in het kamp en de week daarop zouden Piet, Ab, Sjef en v.d. Burg op transport gaan. (…) Het werd tijd, dat er enige verandering in onze toestand kwam. Wij waren er allen physiek niet al te best aan toe. Het halve jaar gevangenisleven had mij toch verzwakt. De dysenterie wilde maar niet wijken. Ik voelde m’n weerstand verzwakken. (…) Door de hulp van onze partijgenoten koks veranderde onze toestand. Sjef werd al direct in de keuken geplaatst en verschillende anderen kwamen door toedoen van Otto bij de N.S.F. Ik bleef bij de Amaf. Dit maakte voor mij zoveel niet uit, daar de hongerperiode nu voorbij was.’[94]

Onder de Zaankanters zijn er vier die vrijwel zeker de doodstraf zullen krijgen. Het zijn Ab, die alles heeft opgebiecht, Sjef, Piet en Gerard. ‘Ik voor mijzelf vond als ik de zaak goed overdacht, dat ik er nog het beste aan toe was. Wat kunnen ze me eigenlijk ten laste leggen, dacht ik dikwijls. Er is misschien nog een klein kansje. Maar andere keren verwierp ik dat weer.’[95] De andere leden van onze ploeg waren de z.g. lichte gevallen, zoals Willemszoon, de Vries, van Briemen, Kwadijk, Zwart, Stolp. Zelfs Gerrit Bakker geldt als licht geval.

‘Na vier weken kampleven, Sjef zat net 2 dagen in de keuken, werden zij op een vrijdagavond op het appel uitgeroepen. Ab, Piet, Sjef, v.d. Burg en Kuiper. Zij gingen op transport. Tot mijn en anderer grote verbazing was ik er niet bij.’ Gerard vertelt het nieuws aan Otto en Frits. Zij dachten ‘met mij, dat ik waarschijnlijk de dans zou ontspringen. (…) De illusie was echter van korte duur. Een week later werd ik uitgeroepen. De laatste avond sprak ik nog heel laat met Gerrit Bakker op m’n brits. Wij hadden van onze koks brood gekregen, met rauw gehak [woord onleesbaar AM], boter en suiker. Het was een schitterend afscheidsmaal. Het stond voor ons vast dat ik nu niet lang meer zou leven. Wij spraken over ons persoonlijk leven, over de dingen waar wij van hielden, over muziek, literatuur, over onze vrijages. Wij spraken over de oorlog, over de S.U., over de partij, over de toekomst van de arbeidersklasse. Ik voelde mij sterk en bewust, ik was niet bang voor de dood.’[96]

Terdoodveroordeeld

maart 1944 – Utrecht

Een week na de vijf anderen gaat Gerard op transport. ‘De volgende morgen om 5 uur meldde ik mij bij de kleedkamer. Ik kreeg m’n burgerpakje weer aan. Bij de kapper werd ik nog eens extra kaal geschoren. In de wacht stonden 3 politieagenten op mij te wachten. Ik vond, dat ze er gemoedelijk uitzagen. Ik kreeg een stok in m’n broek, die van onderen met een leren riempje om m’n enkel werd vastgebonden. M’n hand werd geboeid vastgemaakt aan die van de brigadier. En daar gingen we. Ik keek nog eens om naar kamp Amersfoort, het kamp met de broodmagere en wezenloze bevolking. Het was de 31e maart 1944. Het voorjaar zat in de lucht. De vogels tjilpten in de bomen, de zon verwarmde m’n rug. ’[97] Gerard probeert de politiemannen te bewegen hem te laten ontsnappen, maar ze durven het niet aan. In Amersfoort krijgen de agenten van alle kanten pakjes brood toegestopt van schoolkinderen voor hun gevangene. ‘Zo ging dat ook in de trein. Vele passagiers bestormden ons met koek, cigaretten, tot zelfs bonbons en gebakjes toe. Ik at maar, de ene boterham na de andere en ondertussen rookte ik’[98].

Gerard wordt naar Utrecht gebracht, de gevangenis daar aan het Wolvenplein. Wat een naam voor een gevangenis, hoe luguber! Maar Gerard schrijft: ‘Na al die ontberingen in Amersfoort, beviel het mij op het Wolvenplein best.’ Hij probeert zich voor te bereiden op de dood. ‘Menigmaal dacht ik: kijk ik ben nu 30 jaar oud. Dertig jaar heb ik geleefd. Ik beleefde m’n jeugd, een arbeidersjeugd, m’n “Sturm und Drang”. Ik dacht dat de wereld aan m’n voeten lag. Ik wilde kunstenaar worden, artist, schrijver. Ik werd winkelbediende, kantoorklerk. Ik speelde viool en ik deed het goed. Ik speelde toneel en ik deed het goed. Ik werd gegrepen door m’n levensomstandigheden, door de klassestrijd, de politiek. Ik ging studeren en nooit was ik moedeloos in het leven. (…) Ik heb veel gevrijd. Ik ging graag met meisjes om, terwijl ik mij ervoor hoedde een vervelend type Don Juan te worden. Ik hield wel van het leven. Ik durfde ook wel wat te wagen. (…) Dertig jaar had ik nu het leven geleefd. Het was een zuchtje, zonder dat je er veel erg in had aan je voorbij gesneld. Zeg, dat ik nu nog eens dertig jaar zou leven, zeg veertig. Ik stond nu ongeveer op de helft. Wat is het leven van een mens dan eigenlijk, dacht ik. Waarom zou ik mij er druk over maken. (…) Wat voorbij is, is geweest. (…) Nee, ik was niet bang voor de dood.’[99] Gerard had bijna goed gerekend. Hij zou 74 worden en had op dat moment dus nog 44 jaar te leven…

Naast Gerard in cel 7 zat Sjef in cel 8. Iedere dag, bij het kwartier luchten, spraken ze elkaar, hoewel dit ten strengste verboden was. ‘De dagelijkse wandeling achter elkaar was voor Sjef en mij de gebeurtenis van de dag. Wij konden niet zoveel bespreken, maar wij steunden elkaar en probeerden elkaar te sterken en op te beuren. Wij hielden van elkaar, meer dan broers’.[100] Sjef vertelt Gerard dat hij een advocate krijgt tijdens het proces. In een brief aan zijn vader Willem vraagt deze nu ook om een advocaat.

Hij krijgt zijn dagvaarding en aanklacht te lezen. In dit Anklageschrift gaan 3 foliovellen over Ab, die immers alles heeft bekend, 1 over Sjef, 1 over van den Burg en een half vel over Piet. ‘Dan ik met een kwart vel en Berend Kuiper enige regels.’ [101] Het wordt Gerard duidelijk dat de Duitsers eigenlijk weinig van hem weten en hij neemt zich voor op de zitting alles te ontkennen. Evengoed rekent hij met de doodstraf. ‘De zaak zou op 24 mei voor het Obergericht voorkomen. (…) m’n advocaat heette van Es. Een chique jonge kerel, met veel brillantine in z’n haar.’[102]

24 mei 1944 – het Obergericht

‘We waren de dag van te voren geschoren. D.w.z met de tondeuse werden de lange haren van onze baard weggehaald. Met onze stoppelbaarden, kaal geknipte hoofden zagen wij eruit als galeiboeven. Op de zitting werd mij duidelijk dat dit zo bewust geënsceneerd werd. De ziting was immers openbaar? De jongens waren in de beste stemming. De spanning leek geweken en we waren eigenlijk opgelucht dat het nu maar gebeuren ging.’ Gerard spreekt vooraf Piet van Breemen aan. Wil hij voor de rechter verklaren dat Gerard niet bij de bespreking over Siffels is geweest? ‘Piet knikte zwaarmoedig’[103] aldus Gerard. Op de zitting ontkent Piet inderdaad. Dan voelt Gerard zich sterk en vraagt het woord. ‘Ik ben geen communist’ verklaart hij, ‘ook geen illegaal werker. Dat kan ik bewijzen. Ik sta ’s morgens om 7 uur op en ga met de boot van 8 uur naar Amsterdam. Daar werk ik als afdelingschef tot 5 uur. Met de boot van 6 uur ga ik terug en ben om 7 uur thuis. Na het eten speel ik een paar uur viool, dat zou de hele buurt kunnen getuigen en daarna werk ik nog 2 à 3 uur voor kantoor, dat kan het hele Rijksbureau getuigen. Waar zou ik de tijd vandaan moeten halen om illegale werkzaamheden te doen.’[104] In de pauze smullen de beklaagden van het heerlijke eten dat hun families hebben meegenomen. ‘Ik weet nog, dat ik 9 gekookte eieren achtereen opat.’[105] schrijft Gerard.

’s Avonds in z’n cel ligt Gerard nog lang wakker. ‘Ik pufte van de eieren. Ik dacht over alles nog eens na. Over de straf, over de kogel, die wij morgen misschien zouden krijgen, over onze illegale actie, de S.D., waarom ik communist was geworden, mijn jeugd, de werkloosheid, de arbeidersklasse, ook m’n toekomstdromen, de muziek, toneelspeelkunst, het schrijven van toneelstukken, over m’n vele tekortkomingen, over m’n amoureuze streken, m’n strijd voor een kleine kantoor-carrière. Ik vatte alles nog eens samen. Het leven was wel de moeite waard om te leven, om te vechten, te strijden. Maar eens moesten we allen toch sterven. Zo is het leven. Of je het goed of slecht gedaan had. Of je succes had gehad of niet, je ging toch dood. Waarom treurig zijn? Waarom bang voor de dood? Ik huilde zachtjes. Waarom? Ik wist het niet. Zomaar over alles en nog wat. Over m’n oude vader, die dit niet begrijpen zou, over de kansen die er voor mij in dit leven zeker nog moesten zijn, over de verlossing van de beklemmende vraag hoe of wat. M’n droefheid duurde niet lang en ik sliep gerust in. Laat komen wat komen moet.’[106]

mei 1944 – Scheveningen, Oranjehotel

‘Met ons vijven werden we de volgende dag keurig geschoren en extra kaal geknipt. Men bracht ons naar het hoofdbureau van politie te Utrecht en nam foto’s van ons.’[107] Deze foto is nog in onze familie. Ze gaan op transport met de trein. Er reizen wat familieleden mee van Ab. Ook de vrouw van van den Burg is erbij. De gevangenen trekken veel bekijks en krijgen weer veel eten en rookwaren toegestopt. Sjef schrijft een briefje aan z’n vrouw en kinderen. ‘Houd moed, schreef hij eronder, we leven nog. Ik at fantastisch veel broodjes en rookte een dikke cigaar.’[108]

In Den Haag gaat het met de tram en daarna te voet naar het Oranjehotel, ‘Onze laatste pleisterplaats, dachten we.’ Gerard komt in cel 605. Daar zijn al twee gevangenen, ook ter dood veroordeelden. Ze vertellen: ‘In deze cellen verbleef je gemiddeld een week of zes en dan ging je naar de Paal, dat was ergens in het duin. Eergisteren waren er nog 13 man heengegaan. De gevangenen kregen eenmaal per 14 dagen bezoek. Het bezoek mocht pakjes meenemen. Honger kenden ze niet in de dodenbarakken.’[109] Sjef wordt ook binnengebracht in cel 605 en de vrienden bevalt het zeer goed dat er volop te eten is, misschien wel 6 weken lang. ‘Het is net als in tafeltje-dekje, zei Sjef’.[110]

Piet komt in de cel ernaast bij Jan Postma. Ab en v.d. Burg komen samen verderop. ‘Er waren thans met elkaar 19 ter dood veroordeelden in deze barakken. Naast ons communistische groepje, was er Jan Postma en de Hilversumse partijgenoten Sauer en Vroom. Dan was er een groep fijn gereformeerde mannen uit Beekbergen, van wier namen ik mij herinner: Blom, een schoenmaker, Bertus ?, E. van ’t Landt, een tuinder, en een zekere Hager en de man die bij ons in de cel zat. Deze mensen hadden wapens verzameld (…). Er waren twee jodenmensen, een jonge fiere kerel uit Amsterdam en een oude man uit Dordrecht, wiens naam, ik meen, van Dam luidde. Er waren twee zwart-slachters uit Amsterdam en Althof of Althuizen, die een gevaarlijke souteneur en oplichter was.’[111]

In Terdoodveroordeeld wordt meer verteld over de oudere Joodse man, Jacob van Dam. Hij heet in het boek David B. Swaab. Hoofdstukken 2 en 3 gaan over hem en zijn zelfs vanuit zijn perspectief verteld. Dat is voor de lezer best verwarrend, want de rest van het boek wordt verteld vanuit het perspectief van Gerard alias Anton van der Ploeg[112]. Vanaf Scheveningen reist Swaab mee met de groep zoals we die in Mijn Lotgevallen leren kennen, de groep van Sjef en Ab en Piet en Gerrit Bakker en een paar anderen. Waarom Gerard in Terdoodveroordeeld over van Dam heeft geschreven en in Mijn Lotgevallen niet, blijft onduidelijk. Waarom de jonge joodse man verder niet meer voorkomt, idem.

‘In de dodencellen leek het leven nog mild. Men was vriendelijk jegens elkander en behulpzaam. Twistgesprekken kwamen zelden voor. (…) Wat mij in Scheveningen beviel, was niet het eten alleen, maar ook de boekenrij waaruit wij als terdoodveroordeelden mochten kiezen. Ik las achtereenvolgens een verhandeling van Bierens de Haan over Schopenhauer, een werkje van een Duits auteur over Cartesius, een reisverhaal over de kleine Antillen, een ontdekkinggeschiedenis van de omgeving van de blauwe Nijl en nog enkele romans, o.a. Pieter Brueghel van Felix Timmermans. En dat alles in de tijd van 10 dagen. Want wij verbleven slechts 10 dagen in deze dodencel. Maar daarover verderop. In de gevangenis heb ik lezen geleerd. (…) Een woord in een boek kon mij reeds tot overpeinzen brengen. Ik miste een diepgaande Marxistische analyse van het begrip leven. Ik had deze philosofie echter nodig om mijn evenwicht te versterken. (…) Ik zocht de weg van het universele. In de gigantische strijd op de wereld was ik een deeltje. (…) Ofschoon ik hier wel bevrediging in vond, kwam ik van dit al te universele terug. Ik voelde mij al te nietig, te onbetekenend. Ik wilde toch ook voor het peloton staan met haat en verachting in m’n hart voor de fascisten.’[113]

Sjef heeft het anders moeilijk dan Gerard. Hem valt het afscheid zwaar van z’n vrouw Alie en hun twee kinderen Sjeffie en Lien. Maar dankzij de kameraden buiten en hun strijd, denkt hij, ‘zullen Sjeffie en Alie het toch nog goed krijgen. Voor mij is dit een troost en daarom ben ik niet bang voor de kogel ofschoon doodgaan niet zo makkelijk is als je 30 jaar bent en een gezonde kerel.’[114]

6 juni 1944 – Vught

Zes juni is D-day, de dag waarop de Geallieerden landen in Normandië. Gerard schrijft:

‘Op de 10e dag van ons verblijf in de cellenbarakken van Scheveningen, het was op de 6e juni 1944, was er ’s morgens een ongewone en onrustige atmosfeer in de gevangenis.’[115] De gevangenis wordt leeggehaald, de terdoodveroordeelden gaan in een apart transport. ‘We werden in twee groepen van 10 en 9 man aan een lange ketting geboeid. Dicht op elkaar, en zo strompelden wij, omringd door een cordon S.D.’ers naar buiten.’[116] Op het station van Wassenaar gaat de reis eerst naar Den Haag. En vandaar? ‘Wij hadden er geen idee van waarheen wij gingen. Amersfoort dachten we eerst, maar na Utrecht werd het ons duidelijk, Vught.’ [117]

Daar aangekomen laten Duitse SS’ers ‘ons nog een paar uurtjes in de stromende regen staan en toen gingen wij door het kamp. Men bracht ons naar de gevangenis in het kamp, de z.g. bunker. Hier werden wij in een flink vertrek gelaten. Onze geboeide handen maakte men echter niet van de ketting los. Zo bleven wij in dit vertrek twee dagen aan elkaar geketend liggen.’[118] Na 2 dagen en nachten ‘tenslotte haalde men ons uit die grote kamer en bracht ons naar de cellen. Onze boeien werden afgenomen. Ik werd bij Blom, van ’t Land en Bertus opgesloten.’ Zij horen bij de groep gereformeerden uit Beekbergen. ‘Weer een illusie hebben we daar in die bunker van het concentratiekamp Vught gehad. Het feit, dat de Engelsen en de Amerikanen eindelijk het tweede front gevormd hadden, deed ons iedere keer de hoop geven toch nog gered te worden.’[119]

‘Die 7½ week in de bunkercel in Vught zal ik nooit vergeten. Voor het tralieraam was een bruine bak aangebracht, net een ruif van een konijnenhok. Door een spleet zagen wij op de binnenplaats van de bunker uit. (…) Ondanks dat we elke nacht verwachtten doodgeschoten te worden, bleef het etensvraagstuk belangrijk. Bijna iedere dag kregen wij een liter koolsoep en een klein stuk brood. We leden erge honger. Een enkele keer kwam dan verandering. Er waren partij genoten in het kamp, die er de lucht van hadden gekregen dat Jan Postma in de bunker zat. Enige keren is het gebeurd, dat de gevangenen uit het kamp enige gamellen met erwtensoep in de bunker wisten te organiseren. Wat wij dan smulden. (…) Het comfort in deze bunkercel was al zeer primitief. Er waren vier ijzeren bedden die in tweeën boven elkaar stonden. Er was een wankel houten tafeltje en één krukje. Er was een blikken bus waarin wij onze behoeften moesten doen. Wij wisten een krant te organiseren die als deksel dienst deed. Verder hadden wij ieder een etensblik en een lepel. Dat was alles.’[120]

Algemene lamlendigheid heerst, maar Gerard weet iets te verzinnen. ‘Het kostte mij veel inspanning om voor te stellen iets te vertellen uit een boek. De anderen stemden ermee in. Iedere dag vertelde ik daarna ongeveer een uur uit de Samuel Pickwick van Charles Dickens. Ik deed mijn best de humor uit dit boek op de anderen en mijzelf over te brengen. De enkele keer als wij eens lachten over de vermakelijke knecht Sam Weller was dat een overwinning op onszelf. Ofschoon de S.D. scherp loerde of wij met de andere gevangenen door het tralieraam spraken, vonden toch zo nu en dan gesprekken plaats. Ik sprak veel met Sjef die een cel verder zat met de twee joden. (…) Ik zong veel. Mijn medegevangenen vroegen daar dikwijls om. Ik zong van alles. Hele symphoniën, liederen, viool- en pianoconcerten. Ik vond er veel troost in en het leidde je gedachten af. De andere gevangenen noemden mij Beethoven’.[121] Gerard voert gesprekken over het geloof met z’n celgenoten. Vooral in Terdoodveroordeeld staan heel wat gesprekken opgetekend. Het is hun geloof tegenover het zijne en dat alles in de schaduw van de dood.

juli 1944 – het vuurpeloton

‘Op een nacht, het was de morgen van de 20e juli 1944, ontstond er een hevig kabaal in de bunker. Wij werden wakker uit onze lichte slaap. Zware stappen dreunden door de gangen, bevelen werden gesnauwd, namen afgeroepen. Plotseling werd ook onze celdeur opengegooid en een stem riep: “Der Maas, fertig machen, alles mitnehmen, schnell Mensch.” Nu gebeurt het, dacht ik. Ik trok vlug m’n kleren aan en nam hartelijk afscheid van m’n celgenoten. Op de gang zag ik de anderen, Jan Postma, Piet, Sjef, Ab Huisman, v.d. Burg, van Dam en de andere joodse jonge man’.[122] Twee aan twee geboeid gaan ze door het kamp heen naar de Kommandatur. ‘Daar werden wij met de gezichten tegen de muur gezet. Na heel lang wachten, werden de boeien weggenomen. Wij kwamen in een zaal. Er was brood en er waren cigaretten. Wij aten als wolven en rookten. Wij spraken zelden een woord tegen elkaar. Sjef, ben je sterk? vroeg ik. Ja, zei Sjef, jij ook? Ik knikte.’[123] De Oberscharfuhrer vraagt Jan Postma of hij nog in het communisme gelooft. Ja zeker, zegt deze, het zal overwinnen.

Weer moeten ze lang wachten. Dan komt een nieuwe officier binnen, er wordt gefluisterd en dan worden de acht opnieuw geboeid en teruggebracht naar hun cellen. ‘Wij gingen terug. Weer het kamp door. Onderweg gingen er allerlei gedachten door ons hoofd. Wat betekende dit, zijn wij gred? Wij waren niet gered! Er was die dag een aanslag op Adolf Hitler gepleegd. Dat hoorden wij toen wij weer teruggbracht waren in de cellen. (…) Vier nachten later werden wij weer gehaald. De 25e juli. Wij trokken weer door het kamp naar de Kommandatura. Hier wachtte een kerel in burger ons op. De Staatsanwalt. Hij las de vonnissen nog eens voor. Van Breemen werd voorgelezen, heeft gratie, de doodstraf wordt veranderd in 10 jaar tuchthuis. Maas dito-dito. Wat een moment was dat. Het gaf alle gevangenen een schok. Er werd ons niet veel tijd gegeven. Ik drukte de handen van de anderen. Van Sjef, groet m’n vrouw en kinderen, zei hij, z’n stem klonk verstikt. Van Ab: doe de groeten …, van Jan Postma groet allen en zet de strijd voort, jullie hebben geluk… Nooit, nooit van m’n leven zal ik meer kunnen vergeten wat er in die momenten door mij is heengegaan. Er was geen vreugde in me, dat ik zou blijven leven. Ik hoorde bij m’n kameraden die nu de donkere dood ingingen. Ik leed een verschrikkelijke smart.’[124] Terug in de cel schreeuwt Gerard een vervloeking uit tegen het fascisme. Hij vraagt om twee minuten stilte voor z’n makkers.

Duitsland

Het deel dat nu volgt staat alleen in Mijn Lotgevallen en niet in Terdoodveroordeeld. Waarom heeft Gerard het daar niet verteld? Misschien moest hij zich van uitgeverij Pegasus aan een bepaald aantal bladzijden houden?

Gerard zal een aantal dagen verdoofd van ontzetting en verdriet zijn geweest. Hij schrijft ‘Een paar dagen na deze zo tragische gebeurtenissen gingen Piet en ik op transport. Het was in de laatste dagen van juli en zeer warm. Wij liepen door het kamp en bij de Kommandatura zag ik bloemen in een tuin. De kleuren leken mij onwerkelijk, uit een vreemd leven, een droom. Er was geen vreugde in mijn hart, dat ik dit alles mocht zien. Het was of ik niet meer goed kon denken, of m’n verstand stilstond en ik voelde mij te leven als in een benauwde droom.’[125]

Op vrijdag 28 juli vertekken Gerard en Piet mogelijk uit Vught. Ze gaan per spoor Utrecht en zijn een nacht in de gevangenis aan het Wolvenplein. Reeds de volgende morgen gaat de reis verder naar Duitsland. Gerard komt voor het eerst weer een beetje tot zichzelf als hij op het station van Utrecht zijn naam hoort roepen. ‘Ik keek op en herkende in de verte de figuren van m’n broers Klaas en Jan. Een schok van vreugde ging door mij heen. Er waren mensen die aan mij dachten, die meeleefden en in mij geloofden. Het was een mooi ogenblik.’[126] De trein vetrekt. ’Terwijl de trein door het zomerse Holland stoomde, dacht ik erover na hoe het zou zijn als ik terugkeerde. Het leek mij niet mogelijk en ik wilde er niet verder over denken.’

 

begin augustus 1944 – via Kleef en Keulen naar Rheinbach

De eerste stopplaats is Kleef en Gerard verblijft er een week in de gevangenis. In zijn cel zitten een aantal studenten, Engelandvaarders die gepakt waren. Bij het schrijven van Mijn Lotgevallen in 1947 weet Gerard zich nog twee namen te herinneren! Hij schrijft ze op: Nelemans en Zaaier. De studenten waren zowel antifascistisch als anticommunistisch en Gerard heeft felle discussie met hen ‘die mijn geest weer wat opfrissing gaven.’[127]

Na een week gaan hij en Piet van Breemen weer op transport. Deze keer worden ze in een goederentrein gezet. Het is een snikhete dag en de gevangenen staan tegen elkaar aangepropt in een wagon. Ze komen aan in Rheinbach. Dat kan op zaterdag 5 augustus zijn geweest.

half augustus 1944 – in Rheinbach

‘In het tuchthuis Rheinbach leek ’t inderdaad op een herstellingsoord’[128] schrijft Gerard en verder dat hij langzaam bijkomt uit een soort verdoving. Hij hoopt dat hij hier kan blijven tot het einde van de oorlog. Maar nee, na ongeveer 5 weken gaan ze weer op transport, hij en Piet.

 

15 september 1944 – een verschrikkelijke tocht[129]

‘Op 15 september moesten wij allen aantreden. Wij kregen onze burgerpakjes aan, een half brood onder de arm en toen werden wij in een trein geduwd. In het holst van de nacht vertrok de trein Duitsland in. Hoe lang wij precies gereden hebben, weet ik niet. De reis duurde enkele dagen en nachten. Dan weer reden wij een klein stukje. Dan weer stond de trein een hele of halve dag of nacht ergens stil. Ons brood was al lang op. Wij leefden nog lang van tabak die vele gevangenen nog in hun burgerpakken hadden zitten. Maar ook die raakte op. Er was geen water in de trein, onvoldoende plaats om te zitten. Ik zat in een hoek van de wagen met opgetrokken benen. Ik voelde mij heel rustig in tegenstelling tot de meestal opgewonden gevangenen. Ik sliep veel, kon veel slapen en dacht: laat de rotzooi maar barsten. (…) In de nacht stopte de trein aan een groot station. De deuren gingen open en wij strompelden uit de trein. Enkelen hadden de tocht niet overleefd, velen waren meer dood dan levend. Wij moeten er afschrikwekkend hebben uitgezien, want de Duitsers keken ons aan of zij spoken zagen. Wij werden in legerauto’s geduwd of eigenlijk gedragen en toen reden wij naar ons doel. In het licht van de sterren zag ik een enorm gebouw, met een groot kruis op het dak. En kerk dacht ik. Maar eenmaal binnen wist ik genoeg. Met ca. 20 man stopten de schurken ons in een cel. Wij waren in het tuchthuis Kassel-Wehlheiden.’[130]

2e helft september 1944 – Kassel-Wehlheiden

15 september is een vrijdag. Mogelijk komen ze op maandag 18 september aan in Kassel-Wehlheiden, na de verschrikkelijke tocht. Ongeveer 500 nieuwkomers worden gepropt in de toch al overvolle gevangenis. Meer eten komt er echter niet en een soort uithongering begint. Gerard komt in een cel op de 5e verdieping ‘en moest deze delen met 2 Nederlanders, een student uit Groningen, Pim Roeske genaamd en Koos Weck uit Rotterdam, een partijgenoot. Daarnaast een Fransman, Pierre genaamd.’[131] ‘Toen alle gevangenen na enkele dagen moesten aantreden werd hen verteld dat zij allen tewerk zouden worden gesteld. Vele gevangenen dachten, dat er dan ook wel wat extra te eten zou zijn en zo zagen wij het tafereel dat toen de commandant van het tuchthuis riep wie er metaalarbeiders waren, een grote groep gevangenen uit het gelid trad. Daarna werden gevraagd metselaars, timmerlieden enz. Bij de oproep ‘Anstreicher’ trad ook Piet uit het gelid. Hij wenkte mij nog, maar ik bleef rustig staan. En wat kun jij?, vroeg de commandant aan mij en het kleine groepje dat alle oproepen over zich heen had laten gaan. Niets, antwoordde ik. Daarop werden de niet-kenners weer in hun cellen gestopt. Pim, Koos en Pierre hadden mijn voorbeeld gevolgd en kenden ook niets. Later bleek ons hoe juist wij gehandeld hadden. Op het hongerrantsoen hoefden wij althans niet te werken. De anderen werden, voor welk vak zij zich ook gemeld hadden, zonder uitzondering aan het puinruimen gezet in de naaste omgeving van het tuchthuis. Ze kregen geen extra hap en elke dag zagen wij ze door het venster van onze cel terugkeren, strompelend van vermoeidheid en de honger.’[132]

‘Bijna 3 maanden bracht ik in het tuchthuis Kassel-Wehlheiden door. Het waren verschrikkelijke dagen.’ Het is vooral de honger die de mensen kwelt. Maar er is meer. Door bombardementen zijn de ruiten stuk geslagen zodat ‘de kille herfstwind vrij in de cel kon blazen. ’s Nachts kropen wij als schurftige honden tegen elkaar aan op de houten vloer en deelden gezamenlijk de dekens. Een dag duurde een eeuw. ’s Morgens waren wij nog in de beste stemming, maar ’s avonds waren wij murw. Ik stond dan hele lange tijd door de vensters uit te zien over het bergachtige landschap tot het donker was. Hier en daar zag ik in een huis de lichten aanpinkelen. Daar zijn mensen, dacht ik dan, ze praten met elkaar, ze maken hun etenspotje klaar en dan gaan ze naar hun warme bed.’[133] De verstandhouding in de cel is uitstekend. Gerard vindt Koos Weck een moedige kerel, maar ‘In het bijzonder kon ik goed opschieten met de student Pim Roeske.’ Zijn vader was hoogleraar in Groningen en een oom dirigent van het Amsterdamse mannenkoor ‘Apollo’. Pim ‘werd in die moeilijke dagen mijn hartsvriend. Eindeloze gesprekken konden wij voeren over kunst, over literatuur en muziek in het bijzonder. Heel wat symphoniën enz. hebben wij samen gezongen. Dat verkwikte ons hart en gaf ons de kracht om verder te leven. Wij konden ook nog lachen en maakten ons bijzonder vrolijk over de verschillende typen bewalers, waarvan wij scherpe caricaturen maakten’[134]. In het bezit van onze familie is een kaartspel met karikaturen van cipiers voor de heer, vrouw en boer, getekend door Pim Roeske. Ik weet dat Gerard en Pim na de oorlog hebben geprobeerd contact te houden en neem aan dat dit door de Koude Oorlog niet is gelukt.

2 december 1944 – Naar Butzbach

Gerard verblijft 11 weken in Kassel-Wehlheiden. Hij vertrekt er op 2 december, een zaterdag. ‘Koos en Pierre waren al enige dagen daarvoor vertrokken. Pim en ik gingen met nog 18 andere gevangen, meest Fransen, op transport. Het werd een onvergetelijke tocht. Deze ging dwars door een verwoest Duitsland. Elk moment stond de trein stil. Dan vloog alles uit de trein het bos in of het veld, tot de machinist aan toe, om dekking te zoeken voor de vliegtuigaanvallen van de geallieerden. Alleen de gevangenen moesten onder bewaking van enige bewakers blijven zitten. (…) Wij maakten ons niet bezorgd om die aanvallen uit de lucht, wij lachten erom.’[135]

De volgende dag komen ze ’s avonds aan in Butzbach. Dat is misschien zondag 3 december geweest of maandag 4. Gerard schrijft: ‘Ik was meer dood dan levend en steunend op m’n kameraden ben ik in het tuchthuis aangekomen. Daar werden wij ontluisd en gewogen. Ik weet nog dat de weegschaal mijn gewicht aangaf met 86 pond. Ik was een zeer magere lange kerel.’ Gerard komt de volgende dag in Einzelhaft. ‘Ik voelde, dat ik zo langzamerhand aan het eind van m’n krachten was als er geen andere omstandigheden om voor te leven kwamen. Deze omstandigheden kwamen in de figuur van de Duitse politieke gevangene Ewald Kuschta.’[136] Na een week in de isoleer komt een zieke en ernstig verzwakte Gerard terug in een gemeenschappelijke cel. Daar treft hij Ewald, een Duitse communist, die al sinds 1940 een gevangene is. Hij werkt buiten het tuchthuis in het plaatsje Butzbach en organiseert goed voedel voor Gerard, zijn partijgenoot. Gerard blijkt een sterk gestel te hebben en na een week melk en fruit is hij er weer bovenop.

Weer op de been betekent werken ‘in een fabriekje ongeveer 1½ uur lopen van het tuchthuis. Deze fabriek was een voormalige papierfabriek, gelegen aan een beek.’[137] Maar nu worden er door de pantserplatenfabriek ‘Mayfahrt’ uit Frankfurt, op grote persen metaalplaten gestempeld. Gerard moet dit zware werk doen, ‘met een lange tang ijzeren platen uit een oven (800° hitte) trekken en deze onder de stempel van een pers leggen.’ Gerard begrijpt dat het zijn dood zal worden en saboteert het werk. Hij laat elke plaat vallen. Men noemt hem ‘der Lump’ en hij krijgt een pak slaag. Dan krijgt hij een nieuwe opdracht, de fabriek witten. ‘Een karweitje dat mij beter leek.’[138] Als er geen materiaal uit Frankfurt komt, blijft Gerard in het tuchthuis. Hij moet dan kippenveren afstropen, 200 gram per dag. ‘Maar ook dit karwei was te doen.’ ‘Ofschoon wij in een koude, stenen cel veren moesten verwerken, waarvan de Duitsers lekkere donzen bedden maakten, waren die dagen recht genoeglijk. Wij zaten met ca. 8 man bijeen in een cel. Ieder had een kartonnen doosje op z’n knieën, een mes in z’n hand en was naarstig aan het werk. Want 200 gram veren was nog een doos vol. Door het werk heen werd veel gepraat en ook zachtjes gezongen.’[139] Het was een internationaal gezelschap van Belgen, Duitsers, een Luxemburger en een Hollander. Na enige weken keert Gerard terug naar de fabriek waar hij Pim Roeske weer ziet. De bevrijding, d.w.z. het Amerikaanse leger, nadert. Op initiatief van Ewald wordt een gevangenencomité gevormd voor na de bevrijding. Ewald zoekt mensen in Butzbach en Gerard in de Mayfahrt-fabriek. Uiteindelijk bestaat het comité uit zo’n 20 man, alle nationaliteiten zijn vertegenwoordigd.

29 maart 1945 – de bevrijding

‘Aan alles komt een eind. Hoe vaak heb ik deze vertroostende woorden niet tot mijzelf gezegd in die maanden.’[140] Er wordt nog hevig gebombardeerd, ook op Butzbach. De plaatselijke bevolking vlucht de bossen in. ‘Onze bewakers werden met de dag inschikkelijker. Als er vliegtuigen in de lucht zaten liet men ons ook in het bos schuilen. Wij konden toch niet meer de benen nemen zonder aan het front te komen. In het woud kregen wij contact met de Duitse bewoners, die ons bezwoeren, dat zij de oorlog niet gewild hadden. (…) Op een prachtige voorjaarsdag in maart 1945 zagen wij delen van het Duitse leger terugtrekken.’[141]

Het werk in de Mayfahrt stopt, maar het gevaar is nog niet geweken. Een paar dagen later moeten de ca. 5000 gevangenen zich met hun spulletjes verzamelen op het plein van het tuchthuis. ‘Een groep SS-soldaten stonden met hun machine-pistolen om ons heen. Het was duidelijk, wij zouden het tuchthuis nog gaan verlaten, op mars, voor de bevrijdingslegers uit. Dat zou onze dood betekenen, dat beseften de gevangenen. Het was doodstil. Wij mochten gaan zitten of liggen op de stenen. Het commando SS’ers wachtte op het sein tot vertrek. Dit sein kwam niet!’[142]

De gevangenen gaan terug naar de cellen en horen later dat Butzbach al omsingeld is. Gerard heeft contact met Ewald. ‘Morgen met water halen uit de cel treden en naar de centrale, zei hij. Ik deed die nacht geen oog dicht. Steeds dichterbij kwam het kanongebulder en knetterende machinegeweren. Stormen gedachten gingen door mij heen: dus werd ik toch weer een vrij man.’[143] De volgende morgen treedt, bij het water halen, Gerard uit de cel en verklaart de wachtmeester dat hij niet meer terug gaat, dat hij een vrij man is en naar de centrale gaat. Een stomverbaasde wachtmeester laat hem gaan. ‘Ik liep door de lange gang van het tuchthuis. Ik voelde mij of ik de wereld ging veroveren, tegelijkertijd bonsde het hart in m’n keel of ik niet op dit laatste moment, net voor de bevrijding, nog geslachtofferd zou worden.’[144] Bij de centrale treft Gerard Ewald met een grote bos sleutels in z’n hand. Ze bevrijden de andere leden van het comité, de bewakers grijpen niet in. Tot de Amerikanen komen, zegt Ewald hen, heeft het comité de leiding overgenomen. De Amerikanen kwamen al diezelfde middag. ‘Hun tanks rolden de poort van het tuchthuis binnen, kwamen het plein op onder donderende toejuichingen van de gevangenen, die te hoop waren gelopen, nadat wij de celdeuren hadden geopend. (…) Wij waren bevrijd.’[145] Het was donderdag 29 maart. De Amerikanen hebben de leiding, maar laten de dagelijkse gang van zaken over aan het comité. ‘Met Ewald bezocht ik in het stadje een aantal burgers en ik was behulpzaam de grondslagen voor de heroprichting van de KPD te leggen. Dat waren interessante gebeurtenissen. Het volle leven stroomde door je heen. Natuurlijk zag ik alles veel te mooi en veel te naïef.’[146]

Na een maand komt de volgende grote dag. De politieke gevangenen vertrekken, iedere groep naar z’n eigen land. Gerard is een van de 15 Nederlanders. Ze gaan weg uit de hel van Nazi-Duitsland, richting het westen en het zuiden. Gerards groep komt aan in Zuid-België, in het stadje Philippeville. Daar ben ik nog in 1978 geweest met Gerard, Gerda en de driejarige Willem. Het bezoek ontroerde Gerard zeer en hij vertelde mooie verhalen over de geweldige ontvangst die ze daar hadden gekregen. In 1947/48 in Mijn Lotgevallen heeft hij voor die verhalen niet meer de energie gehad. Op pagina 248 heeft hij nog een hoofdstuk-kopje gemaakt: In België, maar daaronder heeft hij niets meer geschreven.

 

De terugkeer

In 1979, zo’n 10 jaar na Terdoodveroordeeld schrijft Gerard dit hoofdstuk alsnog in het verhaal De terugkeer. Het verschijnt in het mei-nummer van P&C[147] 1980. Het telt zo’n acht bladzijden[148] en haakt aan waar Mijn Lotgevallen eindigt. Op 29 maart 1945 wordt Gerard met zo’n duizend andere gevangenen[149] in het tuchthuis van Butzbach bevrijd door de Amerikanen. Een Amerikaanse officier springt van een tank en zegt tot Gerard: ‘Hello boy, do you want a Lucky Strike?’ Leuk detail en een toepasselijke sigarettennaam! Gerard heeft zich duidelijk als schrijver ontwikkeld sinds 1947.

De terugkeer begint met een inleiding over de motivatie van de verzetsstrijders gedurende de oorlog. Gerard schrijft uit naam van allen in de we-vorm. ‘We waren altijd optimistisch’ en dachten dat ‘de overwinning aan ons was. (…) dat de harde bezettingstijd zou plaats maken voor een tijd van ongekende vrijheid.’ De hele maand april moeten de gevangenen in het tuchthuis blijven omdat er nog wordt gevochten. Pas in mei wordt een begin gemaakt met de repatriëring. Eerst vertrekken de Fransen die de Marseillaise zingen. Dan gaan de Belgen weg onder het zingen van de Brabançonne en tenslotte de Hollanders die wat aarzelend de Internationale inzetten.

Het optimisme houdt aan tijdens de treinreis naar België. Behalve Gerard zijn er nog drie communisten in het groepje Nederlandse politieke gevangenen. ‘Onze verwachtingen waren (…) hooggespannen’. De tocht voert over Neufchateau waar de Nederlandse politieke gevangenen, ongeveer twintig man, een eerste feestmaaltijd krijgen voorgezet. Dan gaat het per trein verder naar Philippeville, een kleine plaats aan de Belgisch-Franse grens. Daar blijven ze ongeveer 3 weken tot eind mei. Ze voelen zich er welkom en gefêteerd, ‘het leek of we familie waren’, schrijft Gerard. ‘de wereld was vol van nieuwe geluiden, van nieuwe perspectieven. Oorlog, onderdrukking en rassenhaat behoorden voorgoed tot het verleden.’ Kortom ‘het waren prachtige mei-dagen in Philippeville.’[150]

De Nederlanders schrikken wanneer ze horen van de hongersnood in Holland. Ze willen meteen naar huis. ‘Vol verwachting stapten we in de trein die ons naar Tilburg zou brengen’. Maar daar komt de eerste domper van de na-oorlogse periode. Gerard en z’n kameraden komen ‘in een soort kamp terecht omgeven met metershoog prikkeldraad en met barakken waarin stro was gespreid.’ Protesten helpen niet, een man mompelt ‘zoiets als orders zijn orders en liet ons aan ons lot over’. Als blijkt dat er allerlei gespuis waaronder zelfs SS’ers in het kamp zitten, wachten Gerard en de anderen niet meer af, maar klimmen over het prikkeldraad. Af en toe een eindje meerijdend en dan weer lopend komen ze in het Gooi, ‘richting Hilversum. In de middag liepen we door de zonovergoten Lage Vuursche’ op onze ‘Duitse soldatenschoenen’ waarop je uitstekend kon marcheren. Het laatste stuk naar Amsterdam hebben ze weer een auto. En ineens zegt Gerard, zet me hier maar af. ‘Plotseling stond ik alleen in de Sarphatistraat’, een straat zonder bomen en zonder tramblokjes. ‘De straat maakte op mij een spookachtige indruk.’ Gerard belandt op de de Ruyterkade, de plek ‘waar ik bijna twee jaar eerder was gearresteerd’. Er gaat nog geen boot of trein naar Zaandam. Hij gaat met de pont over het IJ naar Amsterdam-Noord. ‘De tocht ging door de van der Pekbuurt, langs de NDSM, Tuindorp Oostzaan.’ Hij kan nog een stukje meeliften met een vrachtauto en dan ziet hij de twee torens van Zaandam voor zich. ‘Een storm van gedachten stak in mij op.’ Hij denkt aan thuis en zijn vader, aan de partij en de kameraden die niet meer terugkeren, Sjef, Ab, en de anderen. Dan vraagt hij zich af: ‘Waarom moest ik terugkeren?’. Als was het zijn lotsbestemming. De vraag ‘gaf een bittere smaak die me m’n leven lang zou bijblijven.’ Dan ziet hij gekalkt op een muur LEEST DE WAARHEID. Het verhaal eindigt met ‘Tranen sprongen in m’n ogen. De strijd ging verder. Ik was thuis.’

De Terugkeer begint in Duitsland vol hoop en beschrijft het warme welkom in België. Dan volgt de ontgoocheling in een vijandig Nederland. Het perspectief van een harde strijd wenkt. Die strijd onder de leus ‘dit nooit weer’ blijft in Gerards ogen steeds noodzakelijk. Hij is ook nodig om de demonen van de herinnering eronder te houden. de bittere smaak mag niet gaan overheersen. Gerard overziet in 1980 de weg vanaf 1945. De oorlog van 1940-1945 is beslissend geweest voor zijn verdere leven.

Zoals ik het zie, was er voor hem één pluspunt, zijn gezin. Naar het voorbeeld van Sjef Swolfs en van Jan Postma, wil hij na de oorlog leven met vrouw en kinderen. Hij trouwt al in december 1945 met Gerda en zijn eerste kind wordt in juli 1947 geboren. Vier weken later begint Gerard zijn Lotgevallen te schrijven.

[1] vanaf 1938 CPN

[2] Terdoodveroordeeld p32

[3] Lotgevallen p18

[4] Lotgevallen p18

[5] Lotgevallen p 181-182

[6] Terdoodveroordeeld p34

[7] Voluit: Mijn Lotgevallen in de Oorlogsjaren, 1940-1945 p4

[8] Terdoodveroordeeld p34

[9] Terdoodveroordeeld p37

[10] Lotgevallen p5

[11] Lotgevallen p11

[12] Lotgevallen p14

[13] Lotgevallen p21

[14] Dat is een roman met echte personen maar onder schuilnamen

[15] Terdoodveroordeeld p67

[16] Lotgevallen p22

[17] Gerard spelt Worossilov

[18] De verjaardag van Wilhelmina

[19] Lotgevallen p25

[20] Lotgevallen p26

[21] Lotgevallen p28

[22] Lotgevallen p29

[23] Lotgevallen p30

[24] Lotgevallen p31

[25] Lotgevallen p32-33

[26] Lotgevallen p34

[27] Lotgevallen p35-36

[28] Lotgevallen p35

[29] Lotgevallen p 39

[30] Lotgevallen p40

[31] Lotgevallen p41

[32] Lotgevallen p42

[33] Lotgevallen p42

[34] Lotgevallen p43 – waarom Gerard Henk consequent behalve 1 keer Schönhals noemt ipv Schönhagen, is me

   niet bekend.

[35] Lotgevallen p44

[36] Terdoodveroordeeld p128

[37] Lotgevallen p54-55

[38] Lotgevallen p58

[39] Lotgevallen p58

[40] https://www.zaanwiki.nl/encyclopedie/doku.php?id=tweede_wereldoorlog

[41] Lotgevallen p60

[42] Lotgevallen P68

[43] DSGK p69

[44] Lotgevallen p70

[45] Lotgevallen p85

[46]Jan Postma is een vooroorlogse CPN-bestuurder en zat in de 2e illegale leiding; de schuilnamen in Terdoodveroordeeld zijn Jan Bosman en Anton van der Ploeg

[47] Terdoodveroordeeld p82

[48] Lotgevallen p83

[49] Lotgevallenp80

[50] Terdoodveroordeeld p173-174

[51] Terdoodveroordeeld p146

[52] Terdoodveroordeeld p173

[53] Het woord stamt uit de jaren’30, betekent: eenvoudig restaurant, snackbar

[54] Lotgevallen p85

[55] Terdoodveroordeeld p177

[56] Lotgevallen p86 – Troelstra was een socialistische voorman

[57] Lotgevallen p87

[58] Lotgevallen p87

[59] waarin nu het Gerrit van der Veen College is

[60] Lotgevallen p94

[61] Lotgevallen p101

[62] Lotgevallen p102-103

[63] Lotgevallen p104

[64] Lotgevallen p105

[65] Lotgevallen p106

[66] gevangene in de cel naast Gerard

[67] Lotgevallen p109

[68] Lotgevallen p117

[69] Lotgevallen p120

[70] Lotgevallen p121

[71] Lotgevallen p122

[72] Lotgevallen p116

[73] Lotgevallen p123

[74] Nederlands komisch duo met Willy Walden (Snap) en Piet Muijselaar (Snip) traden op van 1937 tot 1977

[75] Lotgevallen p129

[76] Lotgevallen p130

[77] Lotgevallen p132

[78] Lotgevallen p132

[79] Lotgevallen p133

[80] Gerards schuilnaam in de illegaliteit is Anton van der Ploeg geweest (Terdoodverordeeld) of Ploeger (Lotgevallen)

[81] Lotgevallen p135

[82] Lotgevallen p139-140

[83] Lotgevallen p164-176 29 blz, ca 6000 woorden; Terdoodveroordeeld p 238-263 25,5 blz, ca 10.000 woorden

[84] Lotgevallen p150

[85] Lotgevallen p151

[86] Lotgevallen p153

[87] Lotgevallen p154

[88] Lotgevallen p156

[89] Lotgevallen p157

[90] Lotgevallen p158

[91] Lotgevallen p159-160

[92] Lotgevallen p165-166

[93] Frans is waarschijnlijk Frans van der Laar bijnaam Frans de kok. De anderen heb ik niet kunnen achterhalen; er zijn geen geschriften van de CPN over kamp kamp Amersfoort; des te opmerkelijker daarom Paul de Groots opmerking bij Terdoodveroordeeld dat over kamp Amersfoort al genoeg is geschreven.

[94] Lotgevallen p172-173

[95] Lotgevallen p174

[96] Lotgevallen p177

[97] Lotgevallen p178

[98] Lotgevallen p179

[99] Lotgevallen p181-182

[100] Lotgevallen p185

[101] Lotgevallen p187

[102] Lotgevallen p188

[103] Lotgevallen p190

[104] Lotgevallen p193-194

[105] Lotgevallen p194

[106] Lotgevallen p197

[107] Lotgevallen p197

[108] Lotgevallen p198

[109] Lotgevallen p199

[110] Lotgevallen p200

[111] Lotgevallen p201-202

[112] of Ploeger, dat roept Sjef in Lotgevallen in de Weteringschans, zie p. 12

[113] Lotgevallen p204-206

[114] Lotgevallen p209

[115] Lotgevallen p209

[116] Lotgevallen p210

[117] Lotgevallen p211

[118] Lotgevallen p211-212

[119] Lotgevallen p212

[120] Lotgevallen p214-215

[121] Lotgevallen p216

[122] Lotgevallen p219

[123] Lotgevallen p219

[124] Lotgevallen p220-221; Jacob van Dam staat bij de gefusilleerden van 25-7-1944, de naamloze jonge Jood niet, zie Eindpunt_of_tussenstation_NMKV.pdf op nmkampvught.nl

[125] Lotgevallen p222

[126] Lotgevallen p222

[127] Lotgevallen p223

[128] Lotgevallen p226-227

[129] Hoofdstuktitel in Lotgevallen

[130] Lotgevallen p227-229

[131] Lotgevallen p229

[132] Lotgevallen p230

[133] Lotgevallen p231-232

[134] Lotgevallen p232-233

[135] Lotgevallen p233

[136] Lotgevallen p234-235

[137] Lotgevallen p236

[138] Lotgevallen p237

[139] Lotgevallen p238-239

[140] Lotgevallen p241

[141] Lotgevallen p241-242

[142] Lotgevallen p243

[143] Lotgevallen p243

[144] Lotgevallen p244

[145] Lotgevallen p245

[146] DGK p247

[147] Politiek&Cultuur, tijdschrift van de CPN van 1936-1940 en van 1945-1995

[148] Precies 5529 woorden; ter vergelijking, Lotgevallen 56000 en Terdoodveroordeeld 99.360 woorden; in verhouding 1:10:20

[149] Gerard noemt als getal 1200

[150] P&C mei 1980 p194

Dit bericht delen

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.