Industrialisatie en voorouders

Nederland was vanaf de 17e eeuw een kapitalistische samenleving en in de 19e eeuw was dat niet anders. Maar er vonden toen grote veranderingen plaats. De bevolkingsgroei was enorm. Economisch gezien bleven we aanvankelijk achter bij België en Engeland waar een grootschalige industrialisatie plaatsvond. Bij ons floreerde tussen 1840 en 1880 de landbouw en vooral de veeteelt die boter, kaas en vlees naar m.n. Engeland exporteerde.

Later dan de omringende landen kwam ook in ons land vanaf ongeveer de jaren 1870 de industrialisatie, o.a. in de Zaanstreek, op gang. Maar belangrijker nog was de enorme ontwikkeling van de dienstverlenende sector m.n. de Rotterdamse haven. Dankzij de miljoenen guldens die uit onze kolonie Indië de schatkist in rinkelden, konden belangrijke verbindingen zoals de Nieuwe Waterweg, het Noordzeekanaal en het spoorwegnet worden aangelegd. Ook in politiek opzicht moderniseerde het land. Hadden we in het begin van de eeuw nog een autocratische koning, Willem I, in 1848 kregen we een grondwet, die democratischer was en de macht van de koning aan banden legde. Kiesrecht bleef echter zeer beperkt tot alleen de rijken,die belasting betaalden. De liberalen kwamen aan de macht en lieten het economische verkeer en de sociale zorg over aan het particuliere initiatief. In de tweede helft van de 19e eeuw ontstond de verzuiling: de organisatie in eigen kring van gereformeerden, katholieken, sociaal-demokraten en liberalen. Mijn vraag is: wat hebben deze grote veranderingen betekend voor onze voorouders?

drank

De ellende van Nederland

Wat mij allereerst opvalt aan die hele 19e eeuw en met name aan de economische en sociale ontwikkeling die Nederland toen doormaakte, is de enorme armoede waarin de meerderheid van de bevolking, de arbeidende klasse, leefde, de lange werktijden, de grote werkloosheid, de honger en het gebrek. Onze voorouders konden ervan meepraten. Geboren in de periode 1839-1861 werkten zij vanaf hun 12e jaar of zelfs nog eerder 12 tot 14 uur per dag. Kinderarbeid kwam overal en op grote schaal voor. Al dat werken bracht een karig loon of inkomen op, dat soms niet eens genoeg was om in het onderhoud te voorzien. Ook mensen met werk waren soms aangewezen op de armenzorg. Arbeiders en armen: het waren zo ongeveer synoniemen.

 

Henriëtte Roland Holst, dichteres en historica van “Kapitaal en arbeid in Nederland” ([1]) heeft het over pauperisme en lompenproletariaat in het grootste deel van de 19e eeuw: mensen die door gebrek aan werk, voeding en onderkomen ook niet de energie meer hadden de handen uit de mouwen te steken. Het kwam volgens haar door het te niet gaan van handel, manufaktuur en visserij vanaf de Franse tijd. De arbeiders die nog wel werk hadden, waren er volgens haar ook ellendig aan toe door de stijgende prijzen en dalende lonen. De kapitalistische ontwikkeling tot 1850 was volgens haar te zwak, ze spreekt van het geld-kapitaal dat als enige gedijde, en van “een natie van monopolisten, renteniers en bedeelden”, een land “rot tot op het hart” ([2]) waar ook tot 1870 de industriële ontwikkeling maar niet op gang wilde komen. Het proletariaat raakte volgens haar gedemoraliseerd ([3]).

 

Na de Franse tijd, vanaf 1814, waren Nederland en België aanvankelijk één land, onder koning Willem I. De Belgen voelden zich echter hoe langer hoe meer ontevreden in dit verenigde koninkrijk en kwamen in 1830 in opstand. De afscheiding lukte, maar Willem leidde een 10-daagse veldtocht tegen de opstandelingen en hield ook daarna een groot leger aan. Door al ‘s konings uitgaven ging Nederland in de jaren na 1830 bijna failliet. Maar de koning had in Indië een zgn. cultuurstelsel laten invoeren volgens welke de bevolking tot bepaalde leveranties en diensten aan de overheid werd verplicht. Dat cultuurstelsel leverde in samenwerking met de Nederlandse Handel-Maatschappij de staat vele jaren lang enorme financiële voordelen op, soms tot wel dertig procent van de totale overheidsinkomsten. Dit leverde het batige slot op op de begroting van de overheid. Het leverde de Indonesische bevolking daarentegen veel misbruik, honger en ellende op. Multatuli heeft hiertegen geprotesteerd in zijn beroemde roman ‘Max Havelaar’.Max-Havelaar Dat boek en ook zijn ‘Ideeën’ werden populair in de arbeidersbeweging, die aan het einde van de eeuw ontstond, èn bij grootmoeder Nooij, dochter van Hendrikus Grondhuis en Grada Klunder. De arbeidersbeweging heeft van begin af aan geprotesteerd tegen de harde uitbuiting, niet alleen van de eigen arbeiders maar ook van het Indonesische volk.

 

Ellende in Indië en ellende in Nederland. In de jaren 1840 en 1850 was het wel heel erg gesteld en heerste er in Nederland zelfs honger. Hendrikus Grondhuis en Grada Klunder , in 1840 en 1841 geboren, hebben er waarschijnlijk mee te maken gehad, vooral toen in 1845 en de jaren daarna de aardappeloogst mislukte door een schimmelziekte. Velen stierven en in 1847 was voor het eerst (en voor het laatst) het sterftecijfer hoger dan het geboortecijfer. Niet alleen in ons land was de situatie wanhopig voor de mensen. Overal in Europa was dat zo. Er braken relletjes uit en in 1848 kwam het in diverse landen tot revoluties. Dat was niet in Nederland het geval, maar hier kwamen wel de liberalen aan de macht die er in korte tijd een democratischer grondwet doordrukten. In de jaren daarna schaften zij een groot aantal accijnzen af, die levensmiddelen en brandstoffen zoveel duurder hadden gemaakt. Vanaf ongeveer 1865 ging het door deze maatregelen en door de import van goedkoop graan uit de VS wat beter met de levensstandaard in Nederland, maar toch ging omstreeks 1890 Willem Maas nog als jongen van een jaar of tien stiekem de achtergelaten, niet gerooide aardappels van het land halen om aan zijn moeder te geven. En zij was er vervolgens erg blij mee. Willem ging ook als 10-jarige jongen tussen de middag, na schooltijd en in het weekend als loopjongen aan het werk, in 1889 dus. Vanaf zijn 12e ging hij fulltime werken en maakte al gelijk werkdagen van 12 uur ([4]). Honger kende ook het gezin Grondhuis in Zwolle met vader die voor zijn dochter Dien alleen een enkele keer witbrood kon kopen. Dat moet in de jaren ’90 zijn geweest.

 

Tot 1874 was het normaal en toegestaan dat kinderen, ook die jonger waren dan 12 jaar, in loondienst werkten. In dat jaar trad het kinderwetje van het liberale kamerlid Samuel Van Houten in werking, dat met een aantal uitzonderingen, kinderarbeid beneden de 12 jaar verbood. Vanaf hun 12de mochten en gingen kinderen dus werken. En wellicht was dat een reden om veel kinderen te nemen want dat bracht, als de ouders op leeftijd kwamen, geld in het laatje.

 

Bevolkingsgroei en levensverwachting

Gedurende de gehele 19e eeuw is er sprake geweest van een aanzienlijke bevolkingstoename: van 2,8 miljoen in 1840 naar 5,1 miljoen in 1899 ([5]). Deze bevolkingsgroei werd veroorzaakt niet door immigratie maar doordat er veel kinderen werden geboren, die ook nog eens vaker in leven bleven. Dit kwam weer door een betere hygiëne (m.n. watervoorziening en riolering), gezondheidszorg en een iets betere voeding. Daardoor kon er sprake zijn van een afnemende zuigelingensterfte en een hogere levensverwachting. Vanaf de jaren ’70 ging de groei sneller en gingen ook de steden weer groeien. De Zaanstreek had in de jaren ’30 omstreeks 28.000 inwoners en groeide vanaf 1870 versneld naar ruim 46.000. Zaandam groeide in deze periode van 11.000 naar bijna 13.000 in 1879 naar 21.000 inwoners aan het einde van de eeuw. Zaandam en Krommenie groeiden trouwens sneller dan de andere Zaangemeenten. Deze twee gemeenten trokken extra veel mensen aan door hun sterke economische ontwikkeling ([6]).

 

Onze voorouders hebben elk 6 tot 8 kinderen per gezin verwekt en zo behoorlijk bijgedragen aan de bevolkingsgroei ([7]). Het gemiddelde aantal kinderen dat een in de periode 1840-1860 geboren, gehuwde vrouw kreeg, was tussen de 5 en 6 kinderen. Daarna daalde dit aantal fors tot gemiddeld 4 kinderen in 1875 en 2,5 kinderen in 1910([8]). De afnemende kindersterfte en de hogere levensverwachting maakten dat de bevolking bleef groeien.
Waarschijnlijk waren er in de familie ook miskramen en zuigelingensterfte. Zo concludeerden we dat de eerste vrouw van Hendrikus Grondhuis waarschijnlijk in het kraambed stierf. Met zijn tweede vrouw Grada kreeg hij 8 kinderen. Meijnsje Blom beviel in 1876 van een meisje Wilhelmina, dat echter na 3 maanden stierf. Wat een gemis moet dat zijn geweest. Het meisje dat het jaar erop werd geboren, kreeg weer de naam Wilhelmina, onze grootmoeder Mina Brouwer. Ze was bij de geboorte duidelijk een vervangster van haar overleden zusje. Zoveel bevallingen zullen zwaar zijn geweest voor onze vrouwelijke voorouders: Grada, Helena, Meijnsje en Klaasje. De drie eerste vrouwen hebben ook niet zo lang geleefd: resp. 53, 61, 66 jaar. Klaasje is wel oud geworden: 84 jaar. De mannen zijn gemiddeld 66 jaar geworden: Hendrikus Brouwer 58, Hendrikus Grondhuis 64, Jan Maas 71 en Cornelis Nooij 72 jaar. De volgende generatie zal iets ouder worden: Willem 76, Mina 54, Dien en Lourens 79. Dat is gemiddeld 72,5 jaar. De generatie daarna, Gerard en Gerda, wordt weer een stukje ouder: respectievelijk 74 en 92 jaar. En wij? Dat staat nog te bezien. Het kindertal is in de loop van de drie generaties behoorlijk achteruitgegaan en dat past in het algemene landelijke beeld.

 

 

 

Voorouders op drift
Van onze voorouders hebben er drie een agrarische achtergrond: Hendrikus Grondhuis, die in Dalfsen omstreeks 1860 dalfsenbegon als landbouwer en Cornelis Nooij en zijn Helena Groot, die aanvankelijk omstreeks het midden van de jaren 1880 kleine veeboeren in Wormer waren. De landbouw en veeteelt maakten een gouden tijd door tussen 1840 en 1870. Maar dat goud ging vooral naar de grote boeren in Friesland en Holland. Kleine boeren konden nauwelijks rondkomen, laat staan exporteren. Hendrikus Grondhuis moest het dan ook voor gezien houden, werd arbeider en kwam uiteindelijk in Zwolle terecht waar hij werk vond als knecht in een wijnpakhuis. Cornelis en Helena hebben het nog een tijdje volgehouden, maar de gouden jaren maakten vanaf omstreeks 1882 plaats voor een depressie met stagnerende afzet en dalende prijzen ([9]). De graanprijzen daalden het sterkst maar ook de boterprijs ging o.a. door internationale concurrentie met een derde achteruit. In 1891 gaven ook Cornelis en Helena er de brui aan en vertrokken naar Amsterdam, waar ze een melkhandeltje begonnen.

 

Onze andere voorouders waren voornamelijk ongeschoolde arbeiders en arbeidsters. Grada Klunder werd met twaalf of nog jonger dienstbode en maakte lange werkdagen met zwaar werk en geringe verdiensten. Jan Maas en Hendrikus Brouwer waren losse arbeiders, werkzaam niet direct in de opkomende industrie maar als zaadsjouwer en als (polder-) werker bij de aanleg van het Noordzeekanaal. In de 19e eeuw raakten veel mensen bij het ontstaan van een moderne, kapitalistische economie op drift. Vanaf 1870 was er een trek naar de steden en daarnaast naar het westen, waar meer werkgelegenheid was en de levenstandaard wellicht iets beter. Bij onze voorouders zien we de trek naar Zwolle, naar Zaandam en Purmerend en naar Amsterdam.

 

 

Tertiaire sector

Typisch voor de Nederlandse economische ontwikkeling is dat, anders dan in België, Engeland en Duitsland, niet het industriële grootbedrijf ging overheersen, maar dat de zgn. tertiaire of dienstverlenende sector de belangrijkste motor bleef in die economische groei ([10]). Die sector omvat handel, transport en financiële dienstverlening. Onze voorouders hebben in die tertiaire sector gewerkt en geholpen met het ontwikkelen daarvan. Eén generatie later ging alleen Lourens Nooij werken in de industrie, in de fabriek van Wessanen. Willem Maas vervulde velerlei baantjes, een enkele keer korte tijd in de industrie, maar werkte toch vooral in de haven.

 

In de Zaanstreek was er van oudsher veel industrie maar kwam er in het laatste kwart van de eeuw meer bij. Die uitbreiding werd vooral mogelijk gemaakt door de scheepvaart over het Noordzeekanaal die de grondstoffen aanvoerde. Zaanse industriële ondernemers waren in de 19e eeuw bijna allemaal ook handelaars. Minstens eenmaal per week gingen ze naar de beurs in Amsterdam. Dat deden ze vanaf 1878 met de trein die over de spoorbrug bij de Hembrug over het Noordzeekanaal reed. Dat was dezelfde spoorbrug waar in een ark in hetzelfde jaar onze Mina Brouwer is geboren.

 

De Zaanse industrie en haven

De industrie in de Zaanstreek bleef lange tijd traditioneel wind- en wiekengedreven. Het landschap bleef de heeind 19eeeuwle 19e eeuw gedomineerd door het enorme aantal, prachtige molens. Olieslagerij, gerstpellerij, papier, houtzagerij, verf en stijfsel: de fabricage gebeurde, met uitzonderingen, tot het laatste kwart van de eeuw hier in de molen. Volgens de plaatselijke historicus Jur Kingma ([11]) vond er wel vernieuwing plaats maar bleven windmolens ten opzichte van stoommachines lange tijd wel zo bedrijfszeker en goedkoop in exploitatie. Er was weinig reden om in dure stoommachines te investeren waarvoor kolen moesten worden aangevoerd. Door de accijnzen, die pas in 1864 afgeschaft werden, waren kolen erg duur. Ook de molentechniek werd nog verbeterd en er werden grotere molens gebouwd. Pas vanaf ongeveer 1870 zou de stoommachine de windmolen in rentabiliteit inhalen.

 

Vanaf deze tijd en vooral na de verbeterde toegankelijkheid van Zaandam door het Noordzeekanaal (1878) en de uitbreiding en vernieuwing van de haven in de jaren daarna ging de ontwikkeling snel en maakte de Zaanstreek volgens dezelfde historicus een tweede gouden periode door die duurde tot 1914. Naast de stoommachine deden ook nieuwe producten hun intrede in de fabrieken en de steeds kleiner in aantal wordende molens: rijst (Wessanen en Laan), cacao, brood en beschuit (Verkade), linoleum en blik. Ook compleet andere productiewijzen werden in deze periode ingevoerd, m.n. in de papier- en verffabricage. De aanvoer van hout steeg explosief maar het waren hoe langer hoe meer balken en gezaagd hout in plaats van hele boomstammen die aangevoerd werden. In de Zaandamse haven vestigde zich de grootste houthandel van Nederland: William Pont en daarnaast ging nieuwkomer Bruijnzeel vanaf 1919 houten vloeren en deuren fabriceren.

 

Ik kan me nog herinneren dat ik met mijn oom Henk ergens eind jaren ’60 van de twintigste eeuw langs stapels hout op de kade van de Zaandamse haven liep. Het was een van de sporadische bezoeken aan mijn oom, de oudste zoon van Willem en Mina, en we maakten samen een korte wandeling. Oom Henk voelde aan de balken en kon meteen zeggen hoe dik, lang en van welke afkomst de balk was: 3 duims Braziliaans hardhout Cumaru, zei hij dan bijvoorbeeld. Ik was onder de indruk! Willem Maas en zijn oudste zoon raakten van jongs af aan bekend met het hout in de haven. Het hout moest gelost worden, zwaar werk, en verder vervoerd naar en verwerkt in de houtzagerijen, later bij Bruynzeel.

 

Drank

Ome Henk vertelde ook over het zware werk dat vroeger in en rond de haven werd geleverd. Tijdens de lange werkdagen was er sprake van veel drankgebruik. We weten inmiddels dat Jan Maas, de vader van Willem en grootvader van Henk, een drankprobleem had. En we weten ook dat overmatig drankgebruik in heel Nederland een groot maatschappelijk probleem was. Door de slechte leefomstandigheden van veel arbeiders en wellicht ook om de lange werkdag vol te houden grepen veel mensen, voornamelijk mannen, naar de fles. En in die fles zat soms bier maar vaker nog jenever ([12]). Gedistilleerd werd dè drank van de Nederlandse arbeider. De arbeidsenquete van 1890 laat zien dat het drankgebruik vooral onder losse arbeiders (sjouwers, bootwerkers) tot ongerustheid bij de staatscommissie leidde. Over de Amsterdamse en Rotterdamse haven wordt door diverse getuigen gemeld “dat het drankmisbruik onder de bootwerkers groot is” ([13]). Bootwerkers werden vaak in de kroeg uitbetaald en zo hielpen de werkgevers mee aan hun verslaving. Ook in Zaandam is het misbruik groot: uitbetaling en besteking in de kroeg, jenever verstrekking tijdens het werk door de ploegbaas, bootjes die tijdens het werk langskomen en bier en jenever verkopen en natuurlijk voor en na het werk de kroeg in. ([14]). In Cor Bruyns roman ‘De Zaadsjouwers’, die in Zaandam speelt, is ook genoeg drankmisbruik te vinden. Er wordt door sjouwers en bootwerkers flink wat gezopen. Willem Maas haalt hier later herinneringen aan op:

“Ondertusschen hebben zij het bed [een stellage op een boot om rijst te lossen) opnieuw gebouwd. Alleen is het jammer, dat de jenever verloren is. Maar De Schele en Ootje vinden het fijn. Zij vinden het een groote onbillijkheid, dat er geld voor sterken drank wordt verstrekt. Maar daar is Ruigpoot het niet mee eens en woedend stuift hij op. Het wordt een kabaal van je welste en de zoo even nog algemeen lachende groep is in twee partijen verdeeld: jenever of geen jenever.” ([15])

 

Het drankgebruik nam toe tot omstreeks 1880 en werd algemeen (behalve door veel drinkers) als een probleem gezien. blauwe knoopOok voor de gezinnen bracht het drankgebruik minder inkomsten en veel ellende met zich mee. Uit verschillende hoeken ging men aan drankbestijding doen. Als eerste deed de liberale ‘Maatschappij tot Nut van het Algemeen’ van zich spreken. Vaak waren leden van voorname families hierbij aangesloten. ‘t Nut ontplooide op een breed terrein haar activiteiten en deed ook aan filantropie. Drankbestrijding werd daarin meegenomen.

 

De hervormde ‘Nederlandse Vereniging tot Afschaffing van Sterken Drank (de blauwe NV)’ werd in 1842 opgericht, aanvankelijk weinig succesvol. In 1881 richtte de sociaal bewogen predikant C.S. Adama van Scheltema de radicalere ‘ Nederlands Christelijke Geheelonthouders Vereeniging’ (NCGOV) op. Later gaan ook gereformeerden (1900) en katholieken (1895) aan drankbestrijding doen en ontstaan er grote, ledenrijke organisaties. Ook vanuit de arbeiders zelf en vanuit de socialistische arbeidersbeweging komen organisaties voor de drankbestrijding tot stand. Domela Nieuwenhuis zorgde ervoor dat in Nederland, in tegenstelling tot de meeste andere landen, drankbestrijding een belangrijk onderdeel vormde van het socialistische streven. Al deze intiatieven hadden uiteindelijk succes en het drankgebruik nam flink af. We weten niet of Willem Maas lid was van de blauwe NV maar hij was zeker geheelonthouder en in de familie bekend als “van de blauwe knoop”. Ervaringen met zijn vader en met collega’s zullen hem daarin gesterkt hebben. Ook grootvader en grootmoeder Nooij waren van de blauwe knoop en nuttigden alleen met pasen en kerstmis een glaasje advokaat. Onze ouders, Gerard en Gerda, dronken aanvankelijk niet of nauwelijks (bij het Waarheidfestival soms een biertje en bij oud en nieuw een glas Russische champagne of goedkope bubbelwijn). Vanaf de jaren ’60 van de vorige eeuw neemt het drankgebruik weer toe en leren Gerard en Gerda een goede wijn en een goede cognac waarderen.

 

Verzuiling

Niet alleen in de drankbestrijding maar op bijna elk maatschappelijk terrein ontstonden in de 19e eeuw verzuilde (liberale, protestantse, socialistische en katholieke) organisaties. Dat was ook het geval in de Zaanstreek. Gedurende het grootste deel van de 19e eeuw was het verenigingsleven in belangrijke mate in handen van de liberale elite. Daar kwam vanaf de jaren ‘80 verandering in. De Sociaal Democratische Bond van Domela Nieuwenhuis kreeg veel aanhang onder de arbeiders in de Zaanse gemeenten, alleen niet in Zaandam. Tegelijkertijd organiseerden ook de gereformeerden zich. In 1884 stichtten zij de Zaandammer afdeling van het christelijke werkliedenverbond Patrimonium en kwam het tot een Anti-Revolutionaire kiesvereniging “Nederland en Oranje”. In 1890 verklaart de tweede voorzitter van Patrimonium aan de enquête-commissie: “Wij komen wekelijks samen om de belangen der werklieden te bespreken, en ondersteunen elkander. Het voornaamste doel is echter getuigenis af te leggen tegen het socialisme. Wanneer een werkman meent, dat hij onrechtvaardig behandeld wordt, schrijven wij ook wel eens een brief aan zijn patroon. Er wordt echter heel zelden geklaagd.” ([16]) De gereformeerden waren evenals de katholieken voorstander van samenwerking van patroons en arbeiders en tegenstanders van de socialisten. Arbeiders moesten vooral ook berusten in hun lot.kerkkroegkapitaal

De katholieken, die al in 1869 twee RK lagere scholen hadden gesticht, organiseerden zich op politiek gebied iets later dan de protestanten: in 1889 kwam een RK kiesvereniging in Zaandam tot stand ([17]). Ook in andere Zaangemeentes kwamen dergelijke kiesverenigingen en allerlei maatschappelijke organisaties op confessionele, liberale of socialistische grondslag tot stand. Dit proces van verzuiling ging in de twintigste eeuw vrolijk verder. Voor zover wij weten waren onze voorouders, toen ze eenmaal in de Zaanstreek waren gesetteld, bij geen van die organisaties betrokken. De familie Grondhuis in Zwolle ging wel ter kerke, maar grootmoeder Dien stuurde in Krommenie de pastoor haar huis uit.

 

Voor onze voorouders heeft de modernisering van de kapitalistische maatschappij niet veel positiefs opgeleverd. Het werk was zwaar en lang, ellende werd weggespoeld met alcohol, er was honger en er waren veel noodgedwongen verhuizingen. Misschien waren er twee positieve kanten aan de zaak: in de vrijzinnige Zaanstreek kon je zonder probleem onkerkelijk zijn of worden, en bovendien wàs er tenminste werk. Deze beide aspecten hielpen mee om o.i.v. een groeiende arbeidersbeweging het leven in de 20ste eeuw te verbeteren.

 

Noten

[1] Henriette Roland Holst, Kapitaal en arbeid in Nederland. Bijdrage tot de economische geschiedenis van Nederland. Deel I, Amsterdam, 1902. Deel II verscheen in 1927.

[2] idem, p.60

[3] idem, p.189

[4] Uit de jeugdherinneringen van Willem Maas.

[5] M.J. Wintle, An Economic and Social History of the Netherlands 1800-1920: demographic, economic and social transition. Cambridge, 2007. p.9

[6] Corrie van Sijl, Zaankanters en hun wortels. Aspecten van de demografische ontwikkelingen in de Zaanstreek vanaf 1500. In: E. Beukers en C. van Sijl (red.), Geschiedenis van de Zaanstreek, deel I. Zwolle, 2012. p.129

[7] Het zou erg interessant zijn maar moeilijk na te gaan waarom mensen in deze tijd zoveel kinderen namen. Voorziening voor de oude dag, kerkelijke dwang, seksdrift en mannelijke dominantie in moeilijke sociale omstandigheden? We weten het niet.

[8] Bevolkingsatlas van Nederland. Demografische ontwikkelingen van 1850 tot heden. Rijswijk, 2003.p.54

[9] J. Luiten van Zanden en A. van Riel, Nederland 1780-1914. Staat, instituties en economische ontwikkeling. Meppel, 2000. blz. 362

[10] Wintle, p.211

[11] Jur Kingma, De Zaanstreek groeit uit haar wieken. De hernieuwde ndustriële bloei van 1870-1914. In: Geschiedenis van de Zaanstreek, deel II. p493-537.

[12] J.C. van der Stel, ‪Drinken, drank en dronkenschap: vijf eeuwen drankbestrijding en alcoholhulpverlening in Nederland ; een historisch-sociologische studie. Hilversum, 1995. p.69

[13] Verslag omtrent het onderzoek ingesteld door de Derde afdeeling der Staats-commissie van Arbeids-enquête, benoemd krachtens de Wet van 19 januari 1890 (Stbl. no. 1). blz. 12

[14] R.C.C. Pottkamp, “Mannen die het schootsvel dragen”. Honderd jaar Zaandamse Scheeps- en Bootwerkersvereniging Eensgezindheid 1896-1996. Wormerveer, 1996. p.10

[15] Willem Maas, Bij de haven, nr. 14. Artikelenserie in ‘De Zaanlander’, 24-2-1943.

[16] Enquête Staatscommissie, De Zaankant, verhoor Hendrik Brinkman, p.25

[17] F.M. Galesloot, Partijformaties in een tanend liberaal bolwerk. De opmars van confessionelen en socialisten in Zaandam in de periode 1880-1929. In: ‘Broeders sluit u aan’. Aspecten van verzuiling in zeven Hollandse gemeenten. Hollandse Historische Reeks III. Zoetermeer, 1984. p. 113-124.

Dit bericht delen

4 reacties:

  1. Hoi Frank, even wat aanvullen n.a.v. ons Zwolle-bezoek, heel geslaagd! Ik moet het nog verwerken in de voorouderstukjes.
    1. Hendrikus en Grada kregen 12 kinderen waarvan er 8 in leven bleven. De eerstgeborenen, een Willem van 1877 en een Everdina van 1878, sterven resp. 1 en 6 jaar oud. De volgende zes kinderen, Johanna (1880), Hendrikus (1882), Antonia (1883), Willemina (1885), Willem (1886) en Everdina (1888) blijven in leven. Dan wordt in 1890 Theodora geboren die 4 jaar is als ze sterft in 1895. Daarna volgen Femia Mathilda van 1892 en Gerharda Maria van 1894 die in leven blijven, maar het laatste kind, Theodorus van 1897 sterft nog in datzelfde jaar, 7 weken oud.
    2. Hendrikus gaat in de tijd tussen de dood van zijn eerste vrouw Theodora op 14 oktober 1875 en zijn 2e huwelijk op 4 mei 1876 van Zwolle terug naar Dalfsen, van 28 januari 1876 tot 19 april 1876. Op familiebezoek, om te rouwen, wens om terug te gaan?
    3. Wanneer hij weer in Zwolle verschijnt heeft hij werk als pakhuisknecht (opgave bevolkingsregister; in een wijnpakhuis, mondelinge opverlevering). Maar in het adresboek van 1877 staat hij als ‘veldarbeider’, vanaf 1891 als ‘arbeider’ en pas vanaf 1898 als ‘pakhuisknecht’ (in de Tuinstraat 17, wijk Assendorp). In 1912 vermeldt het adresboek van Zwolle geen Hendrikus meer. Dit klopt, hij sterft op 8-11-1911.
    Werk Hendrikus
    In de Uitgebreide genealogie: landbouwer, arbeider, bakkersknecht, werkman, pakhuisknecht

    Jaar lftd beroep plaats document bijzonderheden

    1875 28 jaar landbouwer Zwollerkerspel huwelijksakte bruid Theodora Reuvekamp, boerenmeid 22 jaar
    vader bruid landbouwer
    huwelijk te Zwollerkerspel
    1876 30 jaar arbeider Zwolle huwelijksakte bruid Grada Klunder, dienstmeid 23 jaar
    vader z.b. in geboorteakte landbouwer
    huwelijk te Zwolle
    1877 31 jaar veldarbeider adresboek Zwolle
    1891 45 jaar arbeider idem
    1898 52 jaar pakhuisknecht idem

  2. Zo gaat én de geschiedenis én de familie meer leven. Wat een mooi stuk, Frank.
    En ieder onderdeel roept ook weer vragen op. Voer voor meer!

  3. Hallo Frank,
    Ik vond het erg boeiend om te lezen hoe je je familiegeschiedenis hebt verteld tegen de achtergrond van de maatschappelijke ontwikkelingen. Het lijkt me een duidelijk en kloppend verhaal, en ik heb dan ook alleen maar commentaar op een paar details.
    In de alinea onder het eerste plaatje: gedijdde moet zijn gedijde.
    In de eerste regel onder het kopje ‘Drank’ heb je in het laatste woord een schrijffout gemaakt.
    En dan inhoudelijk: In de alinea boven het tweede plaatje (mooie illustraties trouwens) beweer je dat de arbeidersbeweging niet alleen protesteerde tegen de eigen uitbuiting, maar ook tegen die van de Indonesiërs. Is dat laatste echt zo of waren dat alleen maar mooie woorden? Het hemd is nader dan de rok. Maar misschien heb je gelijk hoor, je hebt er meer verstand van dan ik.
    Ik vond het de moeite waard om te lezen!

    • Dank je wel, Frank! De foutjes ga ik meteen verbeteren. Ik vond het erg fijn om te lezen dat het je boeide en dat het de moeite waard is. Het protest tegen de uitbuiting van het Indonesische volk werd natuurlijk geuit in mooie bewoordingen maar ik weet niet of die door velen ook echt werden gemeend. Ik vind wel belangrijk op te merken dat met dat protest het bezit van onze koloniën niet meer automatisch door iedereen geaccepteerd werd. De socialist Troelstra heeft zich ook in de Tweede Kamer steeds gekeerd tegen de koloniale oorlogen in Nederlands-Indië die tienduizenden slachtoffers eisten. Als je de PvdA ook tot de arbeidersbeweging rekent, dan kun je stellen dat aan die mooie woorden en die socialistische stellingname behoorlijk verraad is gepleegd door die partij. De CPN heeft na 1945 opgeroepen niet deel te nemen aan de koloniale, gewapende strijd tegen de republiek Indonesië. Veel dienstweigeraars zijn daardoor in grote persoonlijke problemen geraakt. Verder is het zo dat ik nog niet veel verstand van deze materie heb. Maar we kunnen er eens over van gedachten wisselen. Groet van Frank!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.