Cornelis Nooij en Helena Groot

In een periode van 22 jaar worden onze overgrootouders geboren: de eerste is Hendrikus Brouwer, geboren in 1839, de laatste twee zijn Cornelis Nooij en Helena Groot uit Wormer, hij geboren in 1861, zij in 1861 of 62. Cornelis en Helena, roepnamen Cor en Lena, gok ik, analoog aan Gerda’s ’tante Cor’ en mijn ’tante Lena’, trouwen met elkaar op 5 mei 1886; wat een feestelijke dag is de 5e mei in de familie Nooij uit Wormer en uit Krommenie, immers, het is 37 jaar later ook de geboortedag van hun kleindochter Gerda!

Cornelis Nooij wordt geboren op 7 januari 1861 in Wormer, een dorp dat tot de Zaanstreek behoort. Het ligt aan de oostzijde van de Zaan tegenover Wormerveer. gemeentewormer1869 Al vanaf de 16 en 17e eeuw is hier, net als in de rest van de Zaanstreek, veel industrie. Er zijn stijfselmakerijen, traankokerijen en zeildoekweverijen. In totaal hebben hier wel 66 molens gestaan. Beroemd zijn de Wormer scheepsbeschuitbakkerijen die produceren voor de VOC en zelfs worden genoemd door Bredero: “dat past op enkaer als een paer Wormer tweebakken!” Geldt deze uitspraak van Bredero voor het Wormer echtpaar waar het ons om te doen is, Cornelis Nooij en Helena Groot? De familielegende zegt hier niets over. Omdat er weinig bekend is van Cor, en nog minder van Lena, bespreek ik hier hun beider levens in één biografietje. Lena Groot komt net als haar man uit een Wormer familie. Haar vader en moeder zijn  Laurentius Groot en Wilhelmina Roemers. Lena is even oud als haar man Cor of een jaar jonger.

De familie Nooij (of Nooi/Nooy) woont al vele generaties in Wormer, van de familie Groot weet ik het niet, maar ik ga ervan uit dat het van hetzelfde laken een pak is. Cor en Lena komen uit katholieke families en kennen elkaar al van jongs af aan. Zijn ze buurkinderen, gaan ze samen naar de lagere school? Voor mijn ogen ontstaat een soort Ot-en-Sien-idylle. Ze krijgen zes kinderen waarvan de eerste drie geboren in Wormer: Cornelis (8-4-1887), Laurentius (Lourens) (26-09-1888) en Cornelia Wilhelmina (23-11-1890) en de laatste drie geboren in Amsterdam: Wilhelmina Cornelia (12-9-1892), Petrus Johannes (8-9-1894) en Thomas Johannes (26-3-1896).  Onze grootvader Laurentius Nooij, later Laurens genoemd en geschreven, is hun tweede zoon. Op een gegeven moment, ergens tussen december 1890 en augustus 1892 is de familie dus verhuisd van Wormer naar Amsterdam.

In Wormer heeft de familie een melkhandel/zuivelbedrijfje. Dit is mondelinge familiegeschiedenis, in Wormer is er (nog) geen bewijs van zo’n handel gevonden, maar in Amsterdam heeft grootvader Laurens mij en Gerard tijdens onze wandeling door zijn oude buurtje, hun winkeltje aangewezen. In de 19e eeuw wordt melk niet als drank op zich gedronken. Hij wordt nog niet bewerkt voor een langere houdbaarheid en bederft dus snel. Daarom wordt de meeste melk omgezet in boter en kaas, maar dit zijn luxe-producten, alleen voor de rijken. Arme mensen gebruiken melk vooral voor hun pap en om aardappels in te koken. Het is voor ons moeilijk voor te stellen wat voor soort bedrijf ‘melkhandel Nooij’ is geweest wat betreft grootte en aard. Is het een echt boerenbedrijf met koeien? Of is het meer een huis met winkeltje in het dorp? We moeten bedenken dat tot ver in de 19e eeuw vrijwel iedereen koopt wat hij/zij nodig heeft bij degene die het maakt: zeep bij de zeepzieder, kaas bij de kaasmaker, boter, melk, vlees, groenten en fruit bij de boer. In de stad, en zeker in Amsterdam, gaat het natuurlijk anders: daar overbruggen marktkoopman en kleine winkelier de afstand tussen producent en consument:  voor een kleine meerprijs hoeft de stedeling niet zelf naar het platteland. Cor is dus mogelijk een veeboer die z’n melk verkoopt. Hij heeft dan zo’n 5 à 10 koeien. Maken hij en zijn vrouw Lena ook boter en zelfs kaas? Misschien wel, misschien niet.

266px-Dorpstraatwormer_scan

Wormer Dorpstraat

Vanaf 1850 verandert de situatie en verschijnen er ook in de dorpen winkels. Dus wanneer Cor Nooij rond 1880 voor zichzelf begint, behoort een melkslijterij (dorpswinkel) ook tot de mogelijkheden. De landbouwcrisis van 1880 treft de veehouderij niet, integendeel er is zelfs een opmerkelijke groei van de sector na 1890,  wat blijkt uit de inkomensstijging van de gemiddelde veehouder in die tijd. Dus misschien kunnen Cor en Lena hun zaak uitbreiden, hoe die zaak er ook uitziet, hetzij boerderij of winkeltje of handkar met melkbussen.

 

En dan waagt het echtpaar de sprong naar Amsterdam. Worden ze daarbij geholpen door de katholieke kerk? Ze beginnen een melkslijterij op de Prinsengracht, vlakbij de Brouwersgracht. Hier, aan de westkant van Amsterdam-Centrum, bij de Melkmeisjesbrug over de Brouwersgracht is een melkmarkt waar ze mogelijk hun melk inslaa n. Rond 1900 is er in Amsterdam sprake van een bloeiperiode onder kleine buurtwinkels. In de wijken die vanaf de jaren zeventig van de 19de eeuw zijn aangelegd, zoals de Pijp en Oosterparkbuurt, is er op bijna elke hoek wel een winkeltje. Daarnaast zijn er veel straatventers. In zijn boek “Op zoek naar de verdwenen middenstand” (Hilversum 2007) schrijft Thimo de Nijs dat begin 20ste eeuw ook de typische middenstandsmentaliteit ontstaat. Hij geeft hiervan een aantal kenmerken: hard werken, familiezin, zelfstandigheid en een zeker wantrouwen ten opzichte van de overheid. Veel winkeliers hebben geen behoefte aan ‘bescherming’, zoals de regulering van de winkeltijden in de wet van 1930. De winkel op de hoek wordt meestal gedreven door een echtpaar. Ook de kinderen werken mee, bijvoorbeeld door de boodschappen rond te brengen of de zaak te vegen. Het leven staat in het teken van de winkel, omdat het winkeliergezin vrijwel altijd boven of achter de zaak woont. Vaak biedt een raam vanuit de woning zicht op de winkel beneden. melkhandel_prinsengrachtIs een van deze winkeltjes op de Prinsengracht ooit de winkel van de familie Nooij-Groot geweest? Stel je eens voor…

Gezien de geboorten van de jongste drie kinderen kan de verhuizing van het gezin naar Amsterdam in bijvoorbeeld de zomer van 1891 zijn geweest. Maar het gezin Nooij redt het niet in Amsterdam. Is hun melkhandel failliet gegaan, kort na 1900? Of hebben ze andere problemen, met de kinderen bijvoorbeeld of gewoon heimwee naar hun geboortedorp? In ieder geval gaan ze zo’n tien jaar later terug naar Wormer, dit althans is weer mondelinge familie-overlevering. Niet alle kinderen gaan mee terug, misschien alleen de kleintjes, de ‘Amsterdammertjes’ die in 1900 resp. 8, 6 en 4 jaar zijn. De ‘groten’ blijven achter in Amsterdam, zoals Laurens die om en nabij 12 jaar is en naar de ambachtsschool zal gaan. Zijn jongste broer, Thomas, keert als volwassene terug naar Amsterdam en heeft een winkeltje in de Czaar Peterstraat in ik weet niet meer wat, waar Gerda wel eens op bezoek is geweest, maar met wie grootmoeder Dien na een ruzie breekt met vrijwel de hele familie Nooij. De enige uitzondering die ik ken, is  Cornelia Wilhelmina die in 1916 is getrouwd met Wenceslaus Rupert uit Purmerend, een meubelmaker; hun namen heb ik wel gehoord in de familie, oom Wens en tante Cor, ze wonen net als Laurens en Dien in Krommenie.

Beginnen Lena en Cor, eenmaal terug in Wormer, weer een melkhandel? De zuivelbereiding verandert in de beginjaren van de twintigste eeuw spectaculair. Tot dusver worden boter en kaas voornamelijk gemaakt op de boerderij. Nu verschuift de bereiding ervan in snel tempo naar de fabriek. Dat is niet alleen qua kosten voordeliger maar komt ook de kwaliteit ten goede. Omstreeks 1910 wordt al driekwart van de Nederlandse boter fabrieksmatig bereid in stoomzuivelfabrieken. Deze productie overtreft dan al die van alle zelfkazende boeren en particuliere fabrikanten tezamen. Wat betekent dit voor het bedrijf van Cor en Lena? Ik houd het op een melkwinkeltje in het dorp Wormer. Verdient het echtpaar Nooij genoeg om hun in de stad achtergebleven kinderen, met name Laurens op de ambachtsschool, te kunnen ondersteunen? Lena sterft in 1923, na haar overlijden is Cor nog tien jaar weduwnaar. Zet hij het bedrijfje alleen voort of waar leeft hij anders van? Hij sterft 17 juni 1933 in Wormer en wordt 72 jaar. De kinderen zwermen over heel Holland uit en komen terecht in Purmerend, Krommenie, Amsterdam en zelfs Utrecht.

 

Dit bericht delen

3 reacties:

  1. Ja, Charlotte, die armoede, hè? Daar moeten we achter zien te komen. Hoe erg was hij in de tijd van onze overgrootouders en hoe zat het bij onze grootouders?

    Mooi stuk weer, Ank! De oprichting van coöperatieve zuivelfabrieken begint al in de jaren 80 van de 19de eeuw. Iets later komen de stoommachines deze fabrieken in. We moeten nodig naar het archief in Waterland om onze voorouders te traceren!

    • Hihi, jullie moeten nodig naar het archief! Klinkt grappig. Misschien vanwege een archief dat al jaren op jullie zit/staat te wachten…, misschien omdat onze voorouders niet weglopen…
      Liefs, jullie zus.

  2. Wauw, supertof weer dit verhaal. Ik had nog nooit gehoord van Cornelis Nooij en Helena Groot, terwijl het toch onze overgrootouders zijn. (mooie namen zeg, Cornelis en Helena!). Niet zo heel ver weg. Ik moet nog wel de tijd vinden om het rustig te lezen hoor 😉
    Ik heb inmiddels ‘De woede van Abraham’ van Conny Braam uit. Ik kan het ieder die dit leest aanbevelen om een idee te krijgen over de tijd van deze overgrootouders en de enorme armoede in die tijd.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.